'Geen flutdelicten vervolgen'

Rechten Strafrechters moeten zich ontworstelen aan de officier van justitie, zegt Ybo Buruma – nog één keer in het openbaar kritisch voordat hij de wetenschap verruilt voor de Hoge Raad.

Folkert Jensma

Ybo Buruma: "Wij weten zelden wat rechtvaardig is, maar onrecht herkennen we tamelijk scherp." Op de achtergrond is Buruma te zien in een televisieoptreden. Dat mag straks niet meer. Nederland, Nijmegen, 22-8-2011 Professor Ybo Buruma, per september raadsman bij de hoge raad en auteur Geen blad voor de mond. Foto: Flip Franssen

Dat de Nijmeegse hoogleraar Ybo Buruma lid wordt van de Hoge Raad betekent dat een openhartige, veelzijdige en kritische wetenschapper per 1 september zijn mond houdt. Zoals het rechters betaamt zal hij voortaan alleen via arresten spreken. Als lid van een collectief, de strafkamer van de Hoge Raad. Exit Ybo dus.

Deze week verschijnt een boek dat Geen blad voor de mond heet. Daarin zegt hij ‘nog één keer’ te willen spreken. Het boek bevat zijn afscheidsrede, die hij eergisteren uitsprak en eerder verschenen artikelen. Het leest als een synopsis van zijn opvattingen over rechtmatig opsporen, betrouwbaar bewijs, faire vervolging en menselijke bestraffing.

Buruma is bekend als voorzitter van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS), die het openbaar ministerie (OM) instelde toen bleek dat voor de Schiedammer parkmoord de verkeerde was veroordeeld. De CEAS adviseerde onder meer tot heropening van de zaken tegen verpleegkundige Lucia de Berk en bejaardenverzorgster Ina Post. Beiden werden later vrijgesproken.

In de golf onrust over de kwaliteit van de (straf)rechtspraak die volgde, stelde Buruma zich relativerend op. De rechtspsychologen Van Koppen, W.A. Wagenaar en Crombagh nagelden in boek na boek de strafrechtspraak met zijn ‘slapende rechters’ aan de schandpaal. Wetenschapsfilosoof Ton Derksen wees op het gebrek aan wetenschappelijk inzicht van strafrechters. Over ‘waarheidsvinding’ in het strafrecht werd schamper gedaan. Zeker toen sommige juristen zich verdedigden met het dogma dat bewijzen wat de officier ten laste legt in het strafrecht volstaat. En niet of dat ook spoorde met wat er feitelijk was gebeurd.

Waren de herziene strafzaken nu het topje van een ijsberg bevroren blunders? Of uitzonderingen waarvan moest worden geleerd? Buruma verdedigde steeds het laatste. Uit overtuiging over de kwaliteit van de strafrechtpraktijk. En na weging van de zaken die hem bij de CEAS werden gemeld. Maar dat het gezag van de rechter heeft geleden, erkent ook hij. Dat de juristerij te weinig oog heeft voor resultaten uit andere wetenschappen, ook. Tegelijk vindt hij dat een strafrechter “natuurlijk” vooral de feitelijke waarheid moet vaststellen. Hij zegt nu dat de rol van de tenlastelegging ingeperkt moet worden. En dat de strafrechter minder afhankelijk van het OM moet worden.

Ybo Buruma is een lange magere man met kenmerkend halflang haar, veelgevraagd in ‘de media’ vanwege zijn gewone taalgebruik, enthousiasme en inlevingsvermogen. En zo iemand gaat nu het klooster van de Hoge Raad in – de hoogste rechter van Nederland, wiens arresten doorgaans alleen voor vakgenoten relevant zijn? Om van toegankelijkheid maar te zwijgen.

Echt meedoen

“U houdt het daar nooit uit”, houd ik hem voor. “Dat hoor ik vaker”, grijnst hij terug. Maar hij verheugt zich erop. Het was weliswaar prachtig om zestien jaar lang overal commentaar op te mogen geven. Maar dan sta je wel langs de kant. En straks mag hij als raadsheer “echt meedoen”. Hij zegt zich bovendien te “verbeelden” dat we in een overgangstijd leven. Straks breekt er een spannende periode aan, waarin opnieuw keuzes moeten worden gemaakt. Bijvoorbeeld of de bescherming van de burger tegen de gevolgen van de digitalisering juridisch nog klopt. Buruma denkt van niet. In zijn boek noemt hij het volautomatisch opslaan, uitwisselen en opvragen van ‘enorme hoeveelheden gegevens’ door allerlei autoriteiten. Dat is goed geregeld. Maar tegen de ongewenste gevolgen daarvan is de burger nu nauwelijks beschermd.

Hij verwacht ook dat de roep om veiligheid bij het publiek op zijn einde loopt. “Ik beschouw de afgelopen tien jaar als de periode van de angst. Dat zal verminderen.” Want volgens hem zullen burgers zich gaan verzetten tegen de overdreven vervolgingsbeslissingen die nu voorkomen. In zijn boek noemt hij de vader die werd vervolgd omdat hij zijn puberdochter in het openbaar een corrigerende tik verkocht. Of de burger die boos een bekeuring verfrommelde en wegwierp, waarna justitie vervolgde wegens een milieudelict. Of neem de Hoge Raad die onlangs definitief mocht bepalen of ‘Wat moet je nou, mafkees’ een strafbare belediging is.

Buruma praat makkelijk. Ik krijg ’m alleen stil met de vraag: “Vat je belangrijkste thema’s eens samen in 140 tekens?” Dan telt hij op zijn vingers de lessen voor de toekomst van de strafrechtpraktijk af: 1. Ophouden met flutdelicten vervolgen. 2. Vooral niet de verkeerde veroordelen. 3. Menselijk blijven straffen. 4. Beter gaan letten op resultaten uit andere wetenschappen. 5. Hou de politie op het rechte pad. (Ja, toch nog 69 tekens te veel.)

Politieagenten seponeren te weinig en verbaliseren te veel, zegt hij. Dat zullen burgers niet meer pikken. Beslissingen om te vervolgen zijn gebureaucratiseerd. De vrijheid voor officieren en politiemensen om van richtlijnen af te wijken is te klein. Daardoor worden burgers lastiggevallen met onbenulligheden, meent hij. Buruma bepleit de rechter de macht te geven dergelijke zaken te weigeren. De officier zou dan moeten uitleggen waarom vervolging billijk is – en de rechter beoordeelt dat dan apart. In het strafrecht zou dat een kleine revolutie zijn.

Nauwelijks vrijspreken

Buruma meent dat de strafrechter te afhankelijk is geworden van de keuzen van de officier. In tegenstelling tot veel andere landen is de Nederlandse rechter gebonden aan diens tenlastelegging. De officier beslist of de klap met een fles straf wegens mishandeling rechtvaardigt, of wegens poging tot doodslag. De strafrechter moet zich aan die keuze houden. Dat is bij de gemiddelde caféruzie nog te billijken, meent Buruma. Maar de wetgever heeft de laatste jaren zulke ruime strafbepalingen geïntroduceerd dat de officier bijna carte blanche heeft. De strafrechter wordt zo “de repressie ingedrongen”: hij kan nauwelijks meer vrijspreken.

In zijn boek geeft Buruma het voorbeeld van iemand die in het café zegt z’n buurman wel te kunnen vermóórden. Mocht die persoon weken eerder een broodmes hebben gekocht, dan kan dat vervolging wegens strafbare voorbereiding opleveren. Ook als dat mes voor het brood was. Het gewoonste gedrag kan al strafbaar zijn, zegt Buruma.

De beslissing wie te vervolgen en waarvoor wordt zo almaar belangrijker. Dergelijke ontwikkelingen ziet hij als kenmerkend voor de angst van de afgelopen tijd. Nu gebruiken politie en justitie doorgaans hun gezonde verstand, maar als dat eens faalt, “wordt corrigeren moeilijker”.

Ook intern mag justitie steeds minder afwijken van de eigen richtlijnen. “Zo dreigen we allemaal de slaaf te worden van de beslissing van een parketmedewerker. Dan denkt de burger: ‘wat een waanzin!’” Buruma is voorstander van de menselijke blik in de strafrechtmachine. Hij schrijft over het professionele geweten dat als rem moet fungeren. Een rechter moet ‘ho’ kunnen zeggen als de juridische uitkomst hem niet bevalt. “Wij weten zelden wat rechtvaardig is, maar onrecht herkennen we tamelijk scherp”, schrijft hij. Rechters moeten hun intuïties koesteren, hun ‘niet-pluis-gevoel’. “We leven in een te sterk geprotocolliseerde samenleving”, zegt hij.

Straffen op maat

Ook een strafrechter heeft ze: de Oriëntatiepunten Straftoemeting. Bedoeld om een overval in Maastricht even streng te bestraffen als in Amsterdam. Geen probleem, vindt Buruma. Maar “die grote nadruk op gelijkheid en zekerheid moet minder”. Als de rechter af en toe een ‘knal’ geeft, waarom niet? Mits dat goed wordt uitgelegd. De Britse strafrechter die een zware celstraf gaf aan een verdachte die de rellen aanmoedigde op Facebook, Buruma kan het zich best voorstellen. Strafrechters hebben van de wetgever de vrijheid gekregen om op maat te straffen. Gebruik die vrijheid, zegt hij.

Strafrechters horen ook aan publieke communicatie te doen, vindt hij. Ze moeten duidelijk laten zien welke publieke waarden ze onderstrepen met hun vonnis. Die moeten ze apart benoemen en uitdragen. Dat kan in de uitspraak, maar ook in een persbericht. De strafrechter moet zijn punt maken: waarom hij extra streng is, of juist mild. “Als de rechter niks meer is dan een stempelaar, gaat hij zijn legitimiteit verliezen.”

De gemiddelde rechter moet van Buruma minder vaak een blad voor de mond nemen. “De burger denkt bij misdaadbestrijding nu aan de politie, misschien nog aan het openbaar ministerie. Maar niet aan de strafrechter”, vreest hij. Die dreigt te verbleken. Het woord ‘stempelen’ gebruikt hij met opzet. Het recht moet het geweten van de samenleving zijn. Dus moet de rechter van zich laten horen. De strafrechter richt zich nu te veel tot juristen en te weinig tot burgers. Af en toe een rechter in de krant, over maatschappelijke trends bijvoorbeeld, waarom niet?

De strafrechtspraak moet ook de politie weer scherper controleren, zegt hij. Hij wijst op strafzaken waarin de woorden van verdachten geheel fout in processen-verbaal werden weergegeven. Hij ziet tekenen van gebrekkig juridisch vakmanschap bij de politie, die kreunt onder de bureaucratie. Ook krijgt hij ‘signalen’ dat de politie in grote steden grensoverschrijdend gedrag uitlokt, bijvoorbeeld van jonge Marokkanen. “Daar vloeien onverdiende arrestaties uit voort”. Hij hoort dat als hij lezingen in het land houdt, van politiemensen, belangenclubs en advocaten. Hij ziet het soms terug in strafzaken. De jongere generaties agenten willen niet voor softies gehouden worden, zegt hij. “Die hebben de filmpjes van Hoek van Holland gezien en willen niet het verwijt krijgen dat ze niet genoeg doen”. Politieverhoren moeten dringend opgenomen worden, zegt hij. Zodat bij twijfel de rechter of de advocaat kunnen terugluisteren. Dat vindt hij dringender dan de verplichte aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor.

Hoe kijkt hij aan tegen het verwijt van veel wetenschappers dat strafrechters geen echte waarheidvinders zijn? Rechtspsychologen zien een strafproces principieel als het toetsen van een hypothese, met falsificatie als middel. Strafrechters zouden de tenlastelegging als uitgangspunt nemen en het tegenverhaal niet echt willen weten. Buruma vindt die kritiek te makkelijk. De strafrechter mag er volgens hem van uitgaan dat de advocaat het scenario ‘onschuldig’ overtuigend presenteert. Het is de advocaat die de rechter aan het twijfelen moet brengen.

Maar, geeft hij toe, dat doet de advocaat niet altijd. Hangt het hele strafproces dan niet uit het lood richting schuldig? Ruim negentig procent van de verdachten die de officier op de zitting brengt, pleegt te worden veroordeeld. En als plaatsvervangend raadsheer in gerechtshof Arnhem kent Buruma het gevoel dat de rechter bekruipt als die een strafdossier doorneemt. “Je wordt helemaal toegeleid naar de schuld’’. Het kost een rechter kracht om kritisch te blijven en zichzelf te controleren, zegt hij. “Maar dat is wel hun vak.”

Buruma wil niet tevreden klinken “want iedere dwaling is er één te veel.” Maar over een periode van dertig jaar nog geen twintig dubieuze zaken, is dat veel? In de zaak Lucia de Berk was achteraf sprake van een ‘cascade van fouten’, waar niemand individueel de schuld van mag krijgen. Maar vooral bij het begin, de aangifte, valt nog wel wat te verbeteren, denkt hij. Er is een “krachtige impuls om elkaar te belasteren” in de samenleving geslopen. “Ik maak me zorgen over al die anonieme kliklijnen.” Op valse aangiften staan nauwelijks sancties. De druk op dokters om verdenkingen aan justitie te melden staat hem niet aan. Ook hier pleit hij weer voor gezond verstand – om de regie niet aan de richtlijnen over te laten. “Als de hele samenleving volgens protocol gaat werken, zitten we binnenkort allemaal achter tralies.”

    • Folkert Jensma