De toekomst is aan de stadsimker

Bijen laten zich in de stad makkelijk houden. Vertel alleen de buurman niet over de kasten in uw achtertuin.

Carien Janssen van Raay is projectadviseur natuur & milieu bij het Haagse fonds 1818. In de binnentuin van het fonds in Den Haag houdt zij bijen op een speciaal gereserveerd stukje. Carien Janssen van Raay is projectadviseur natuur & milieu bij het Haagse Fonds 1818. In de binnentuin van het fonds in hartje Den Haag houdt zij bijen op een speciaal gereserveerd stukje. Foto: Peter de Krom

Honden hebben een baas. Katten hebben personeel. Wat hebben bijen? Ries Hoogendoorn, voorzitter van de Amsterdamse Vereniging ter Bevordering van de Bijenteelt (AVBB) grijnst om zijn raadsel. „Bijen hebben een slaaf.” Hoogendoorn zit in het verenigingshuisje in het Bijenpark aan de rand van het stadsdeel Geuzenveld te midden van een grote collectie bijenkorven, planken met bijenboeken en, uiteraard, potten honing. Buiten ligt een lommerrijk siertuinenpark, met meanderende grindpaden en serene waterpartijen. Je verwacht er ieder moment tegen Jac P. Thijsse op te lopen, of tegen Claude Monet achter zijn schildersezel. Overal zoemen de bijen, afkomstig uit een honderdtal kasten aan de rand van het weelderige park.

De status van slaaf klinkt niet echt wervend voor een hobby in de imkerij. Maar het imkeren dijt uit. Hoogendoorns jaarlijkse cursus was dit jaar vijfmaal overtekend, net als vorig jaar. Ook elders in het land, zegt Hoogendoorn, neemt de publieke belangstelling voor de imkerij toe. Het merkwaardige is: het lijkt vooral de bijenteelt middenin de stad die de toekomst heeft.

In dat laatste kun je met enige goede wil een trend zien. Die urbane jungle dient namelijk niet alleen als ecologisch toevluchtsoord voor bijen. Ook andere dieren zoeken de bebouwde kom op. Noodgedwongen. Bij gebrek aan slikken en schorren broeden bijvoorbeeld plevieren, sterns en scholeksters op grinddaken van industriegebieden. In het Amsterdamse luchtruim zie je boomvalken en sperwers cirkelen, op zoek naar argeloze prooi: stadsduiven en patatspreeuwen. Vossen struinen door stadsparken, steenmarters wonen in villawijken.

Voor bijen is de stad echt een levensreddende vluchtheuvel: de Rabobank bracht vorig jaar een rapport uit dat concludeerde dat de complete Nederlandse bijenteelt zonder de stad is gedoemd – wilde bijenvolken zijn er zelfs niet meer, vooral door de komst, in de jaren tachtig, van de varroa-mijt, een nare Aziatische parasiet.

Hoogendoorn leidt ieder jaar acht hobbyimkers op. Dat gaat er soms streng aan toe. „Niet iedereen slaagt. Ik heb er wel kandidaten bij die zich aanmelden om alleen maar aan de weet te komen hoe dat werkt, de imkerij. Maar dat wil ik niet, ik wil juist dat mensen zich voor de imkerij inzetten, kasten nemen.”

Want erg goed gaat het intussen niet met de Nederlandse bijen. Die hebben al last van allerhande exotische virussen en mijten, waardoor ze kwetsbaar zijn. Maar de grootste schuldigen zijn volgens Hoogendoorn de gemeentes en hun verwerpelijke maaibeleid. We lopen van het park af waar de AVBB-voorzitter met een breed armgebaar naar een lang dijktalud wijst. „Allemaal gemaaid. Helemaal kaal. En daar hadden allemaal bloemen kunnen staan. Als ze die dijken níet hadden gemaaid hadden de bijen, en miljoenen andere insecten, te eten gehad. Het is onbegrijpelijk: ze hadden honderdduizenden euro’s kunnen besparen door niét te maaien.”

Vlinders

Van het platteland moeten de bijen het dus niet hebben. Daar overheersen monoculturen, zoals van maïs. De boeren maaien hun gras doorlopend. „Die laten ook al geen ruimte voor onkruid, maar dat is nog wel te begrijpen.” Insecten, zoals bijen, maar ook bijvoorbeeld vlinders, onthouden waar ze op hun kilometers lange voedseltochten honing kunnen ‘tanken’. Wanneer bloemrijke bermen opeens worden gemaaid, verhongeren ze. Hoogendoorn: „Ga maar na wat er gebeurt als je opeens alle benzinepompen langs de A2 dichtgooit. Dan komt de vluchtstrook vol ‘droge’ auto’s te staan.”

Hoe anders ligt de stad er voor een bij bij. „De mensen in de stad hebben hun voortuintjes en achtertuintjes, met petuniaatjes en springbalsemientjes. Daar vinden bijen genoeg te eten. Kijk ook maar naar het Vondelpark, daar heb ik jarenlang kasten gehad. In het Sarphatipark staan ook kasten die het prima doen.” Bijen uit de stad, zegt Hoogendoorn, „zijn gezonder dan die van het platteland. En dat geldt ook voor de honing.”

Volgens Hoogendoorn heb je er niet eens een tuin voor nodig: „Al zit je op negen hoog, dat maakt die bijen niets uit. Als ze maar niet wegwaaien en er genoeg te eten in de buurt voor ze is.”

Carien Janssen van Raay, projectadviseur natuur en milieu bij het Haagse Fonds 1818, merkte dat het ook bij de Bijenvereniging in haar stad stormliep. „Er was een lange, lange wachtlijst.” Zij kwam op het idee een imkercursus te volgen omdat zich achter het pand waar het fonds is gevestigd een grote, openbare binnentuin bevindt. „Het leek me leuk om daar bijenkasten neer te zetten.” Vorig jaar volgde ze de cursus en ontving een diploma.

Via de cursus kreeg ze een koningin „van een ras van Schiermonnikoog, dat zijn de beste, de minst agressieve”. De kasten, die eerst op het terrein van de bijenvereniging stonden, staan intussen in de tuin.

Dat ging niet zonder slag of stoot. „Die kasten bestaan uit losse onderdelen. Ik vervoerde ze per auto, dus als er iéts mis was gegaan dan had ik met duizenden in het interieur rondvliegende bijen gezeten.” Voor de zekerheid had ze daarom voor het tochtje het bijenbestendige imkerpak aangetrokken. „De bestuurders van andere auto’s keken me aan alsof ik een terrorist was.”

De bijen hebben in de tuin genoeg te eten. „En anders vliegen ze naar het Lange Voorhout, waar linden staan. Daar zit veel honing in.”

De Amsterdamse theoloog Sjoerd Mulder wilde geen cursus, zegt hij. „Mij ligt direct handelen beter. Dan maak je maar een paar fouten, wat dan nog?”

Mulder kocht een bijenvolk van een oude imker die met minder kasten verder wilde. Een goede plek was zo gevonden. In een binnentuin in hartje Amsterdam. De precieze locatie houdt hij liever voor zich. Bijvoorbeeld omdat mensen snel klagen, terwijl er niets aan de hand is.

Dat is ook wat Hoogendoorn zegt: „Vertel niet aan je buren dat je bijen houdt. Ik heb een collega in een rijtjeswoning met een paar kasten in zijn achtertuin. Op een gegeven was er een volk gaan zwermen en bij de buren terecht gekomen. Daar was paniek. Mijn collega kwam de bijen halen en zei dat ze van hem waren. Toen stond ineens de politie voor de deur voor die enge bijen. Maar die had hij al 25 jaar.”

Ernstige problemen is Mulder bij zijn eerste schreden op het imkerpad nog niet tegengekomen. „Goed, we hebben de honing te lang laten zitten. Die hadden we moeten vervangen door suikerwater. Wisten wij veel. We hadden ook nog helemaal niet zo’n honingslingeraar gekocht.”

Met de bijen is nog niets aan de hand geweest, of het moest zijn dat het volk van één kast opeens heel agressief werd. „Ze staken tien keer, dat was niet leuk meer. Ik heb toen op dat forum gevraagd wat er aan de hand kon zijn en toen concludeerde men dat de koningin dood was en dat dit wel vaker voorkwam. Dat lossen die bijen overigens zelf op.”

Zo ingewikkeld vindt hij de stadsimkerij tot op heden dus niet. „Er zijn veel imkers met een schat aan ervaring, dus die zien veel dingen die beter kunnen, maar ik merk dat die bijen best een grote foutentolerantie hebben.”

Mulder: „Een van de leuke kanten is, dat je ook helemaal anders naar je buurt gaat kijken. Je ziet die bijen in een bepaalde richting wegvliegen en denkt: waar gaat dat heen? Dan blijken er verderop lindebomen te staan. Daar moeten ze heen, want die hebben een goede dracht.” Goede dracht? „Die dragen veel honing.”

Heeft de AVBB-voorzitter nog een laatste tip voor beginnende stadsimkers? „Ik zeg altijd: wees aardig voor de bijen, dan krijg je daar de honing als dank voor terug.”

    • Menno Steketee