'De Talibaan hebben een spel met mij gespeeld'

Islamodeen in zijn cel: 'Ik weet nu zeker dat de Talibaan een spel met me hebben gespeeld.' Foto's Bette Dam

Islamodeen (wil achternaam geheimhouden)

Leeftijd: 16 jaar

Wilde: met motorfiets aanslag plegen op Amerikaans konvooi

Waar: in Kunduz

Straf: vijf jaar cel

„Het voelde goed om het zelfmoordvest om te doen. Ik wist zeker dat ik snel in het paradijs zou komen. Lang was ik een normale jongen. Ik had geen problemen met de Afghanen of de buitenlanders. Maar dat veranderde toen het huis van mijn broer in Kunduz vorig jaar werd aangevallen door de Amerikanen. Op een nacht vielen ze binnen en vermoordden ze mijn neefje. Dat heeft mij veranderd.

„Waarom hadden de buitenlanders mijn onschuldige neefje omgebracht? Hij was maar een kleermaker! Waarom dan? Wij waren geen Talibaan. Mijn familie is altijd tegen de Talibaan geweest. Ik ook. Tot die aanval. Dat veranderde alles. Ik begon de buitenlanders te haten.

„Het was niet moeilijk om in mijn gebied Daste Arche in Kunduz met Talibaan in contact te komen. Nog steeds hebben zij de streek onder controle. Ongeveer twee maanden na de moord op mijn neefje sprak ik met Talibaan uit mijn buurt en ze zeiden: ‘Neem wraak op de Amerikanen, doe het!’ De Talibaan hoefden mij niet meer te overtuigen. ‘Ik ben bereid alles te doen’, zei ik tegen ze, ‘zeg maar wat.’ Op dat moment pleegden ze al regelmatig aanslagen op de arbiki’s, milities in ons gebied in Kunduz. Eén keer heb ik een mijn laten ontploffen met afstandsbediening, waarbij een militair om het leven kwam.

„Daarna brachten de Talibaan een motorfiets vol explosieven. Ook regelden ze een zelfmoordvest voor me. Dat moest ik om doen om te testen of ik het wel dragen kon. We waren euforisch. Ze hadden een groot plan, zeiden ze. Ze vertelden dat er de volgende dag een Amerikaans konvooi langs zou komen. ‘Daar ga jij met je motorfiets op inrijden en dan laat je jezelf ontploffen.’

„Ondertussen bleven ze vertellen dat ik een belangrijke martelaar zou worden. En het idee van het paradijs dat ze me voorschotelden, was ook prachtig. De eerste en belangrijkste reden voor mijn zelfmoordplannen was mijn dode neefje. De tweede reden is dat paradijs. Ik kan je vertellen: in Afghanistan houden alle moslims van het paradijs.

Na de instructies ben ik naar de stad gegaan. Daar woont mijn familie. Ik wilde afscheid nemen. Ik wilde mijn vader en moeder niet vertellen wat ik van plan was, dat was veel te veel voor ze. Ik wilde ze alleen gedag zeggen. Ik wist dat het de laatste keer zou zijn.

„Maar ons plan lekte uit en ik werd onderweg naar de stad opgepakt. Inmiddels zit ik ongeveer twaalf maanden vast. Ik heb geprobeerd te ontsnappen. Ik heb een gat in de wc gemaakt en wist weg te komen. Ik ben eerst een paar dagen in Kunduz gebleven en reisde toen door naar Kabul. De politie had mijn foto aan alle agenten in Kabul gegeven. Ze herkenden me.

„Inmiddels heb ik vijf jaar gevangenisstraf gekregen. Hier in de cel ben ik veranderd. Ik denk vaak in mijn eentje na en praat met mijn medegevangenen over wat ik eigenlijk van plan was. Er zitten hier alleen minderjarigen. Geen zelfmoordenaars, maar jongens die een moord hebben gepleegd, bijvoorbeeld. Een jongen heeft de vrouw van zijn broer omgebracht toen hij zag dat ze vreemdging. Wij vragen ons regelmatig af: wat dat is nou, het paradijs? Hoe waar is dat verhaal eigenlijk? Ik zit nu toch in de gevangenis en niet in het paradijs?

„Hoe kan dit nou gebeuren? De Talibaan hadden me veel beloofd en hebben nooit meer iets van zich laten horen of pogingen gedaan om me vrij te krijgen. Ik weet nu zeker dat ze een spel met me hebben gespeeld. Ondertussen verveel ik me dood. Soms denk ik zelfs wel eens: was ik toen maar gestorven, was het maar gelukt. Maar ik weet ook dat ik geduldig moet zijn.

„Als ik vrijkom, ga ik mijn leven goed op poten zetten en ervoor zorgen dat ik dit nooit meer mee zal maken. Hier in de gevangenis is mijn mening over westerlingen veranderd. Het Rode Kruis zorgt goed voor ons, bijvoorbeeld. Ik heb zelfs mijn mening over de Amerikanen herzien. Ze zijn bij ons langs geweest, in uniform en met wapens. Dat was raar voor mij, jazeker. Maar ze kwamen niet om ons aan te vallen. In hun handen hadden ze kleren en dekens. Voor ons! Het was toen winter en we waren daar heel blij mee. Ik heb hier gezien dat de buitenlanders niet allemaal slecht zijn.”