De roze villa in Zawiyah is gevaarlijk

Correspondent Thomas Erdbrink deed tien dagen verslag van de slag om Tripoli. „Midden in de nacht bonst een rebel met geweer in aanslag op mijn deur. Wie heeft zijn kamer ingepikt? We roepen snel: ‘Leve vrij Libië’.”

16 augustus

Er is één grensovergang tussen Tunesië en Libië in handen van het rebellenleger. Het is een verlaten plek ver van de bewoonde wereld. Meer dan vijf uur hebben we gereden, een groepje Amerikaanse collega’s en ik, dwars door het Star Wars-achtige maanlandschap van de stenen woestijn hier. Ook al is het pikdonker en zijn alle mannen op de grensovergang bewapend, journalisten zijn hooggeëerde gasten. Zonder de media, zeggen de opstandelingen, zouden ze nooit NAVO-steun hebben gekregen.

„Welkom journalisten!,” roept Omar, een rebel met een pet. „Wij houden van jullie!” Hij zwaait en drukt me zijn geweer in de hand. Ik weiger beleefd. Op de foto dan, vraagt Omar. Hij wil graag met ‘CNN’ op de foto staan.

Het woord rebel is misleidend. De mensen die op 17 februari tegen de Libische leider Moammar Gaddafi in opstand kwamen, en hem de afgelopen week uit zijn burchten en bunkers verjoegen, zijn huisvaders, kantoorklerken, boeren en ingenieurs.

Tientallen checkpoints later, komen we aan in Zintan, het rebellenhoofdkwartier in het Nafusa-gebergte. We slapen in de woonkamer van een van de tolken. We hebben dozen met eten en water meegenomen. Er is een tekort aan alles.

17 augustus

Het is heet. Mijn loodzware kogelwerende vest drukt op mijn borst. Ik zit in de auto met Brian, een fotograaf, die ik al jaren ken. En met Kareem die sinds de Arabische opstanden in de regio is. Het zijn rustige jongens. Jongens die je bij je moet hebben in gevaarlijke situaties.

Door de NAVO gebombardeerde tanks staan langs de kant van de weg, kinderen spelen met lege hulzen. Elektriciteitskabels zijn van hoogspanningsmasten afgevallen en liggen als een spinnenweb over het asfalt. Pas nadat we eroverheen zijn gereden vraag ik me af of er stroom op zou kunnen staan.

Nabij Zawiyah zit dokter Mohammad Alkul met zijn handen voor zijn gezicht op een bankje voor een kliniek waar doden en gewonden worden binnengebracht. In de verte klinkt het geratel van machinegeweren. Dit is de frontlinie. Alkul is hoogopgeleid, spreekt Engels en heeft een rotsvast vertrouwen in de revolutie. „We zijn allemaal één familie in Libië,”zegt hij. Met een doel: „Gaddafi moet weg.”

18 augustus

In Zintan praat ik met rebellenleiders. Hoe willen ze Tripoli innemen en chaos voorkomen? Ze hebben een speciale eenheid (‘Tripoli-brigade’) getraind om belangrijke locaties over te nemen in de stad. Zo willen ze een machtsvacuüm voorkomen. „Er zal niet worden geplunderd”, zegt Abu Oweis, de tweede man van de eenheid. De accountant met lange baard verliet maanden geleden de hoofdstad om zich bij de rebellen in Benghazi te voegen. Hij is de man achter de ‘Tripoli-brigade’.

19 augustus

De stroom vluchtelingen uit de hoofdstad neemt toe. Families reizen bepakt en bezakt naar de bevrijde gebieden. Daar aangekomen juichen ze de rebellen toe en roepen dat Gaddafi „moet gaan”. Maar de angst voor de leider blijft. Ze willen hun naam niet zeggen. „Eerst willen we zeker zijn dat Gaddafi nooit meer terugkomt,” zegt een man.

20 augustus

Hoe beslis je hoe ver je gaat in een oorlog als journalist? De rebellen hebben het centrale plein van Zawiyah veroverd. Het is het zaak om ons behoedzaam richting plein te bewegen. We moeten rekening houden met de reikwijdte van de Grad-raketten die de pro-Gaddafi troepen gebruiken. Bij iedere controlepost winnen we informatie in. Zonder risico geen verhaal.

Waar slapen we vanacht? Twee jongens bieden ons een gigantische gemeubileerde roze villa aan, maar aan het einde van de straat ligt een diepe krater veroorzaakt door een Grad-raket. Gelukkig is er de raffinaderij. Daar blijkt een guesthouse te zijn. We worden vriendelijk ontvangen, maar midden in de nacht bonst een rebel met geweer in aanslag op de deur. Wie heeft zijn kamer ingepikt? We roepen snel: ‘Lang leve vrij Libië’.

21 augustus

Drie zwarte immigranten zitten voor het ziekenhuis van Zawiyah. Veel strijders van Gaddafi zijn huurlingen uit andere Afrikaanse landen. Oppassen dus. „Iedereen is heel boos op zwarte mensen”, zegt Azem Kazeem (33) uit Nigeria. Een paar weken voor de revolutie was hij naar Libië gekomen voor werk. Nu heeft hij zich aangemeld als vrijwilliger bij het lokale ziekenhuis van Zawiyah. „Dan doe ik tenminste iets goeds en ben ik veilig.”

22 augustus

Nu gaat het opeens snel. De rebellen zijn Zawiyah voorbij. We rijden mee tot 20 kilometer voor Tripoli. Er is een gigantisch wapendepot geplunderd. Als we naar binnen lopen, tussen honderden mannen met nieuwe wapens en munitie, doe ik snel mijn kogelwerende vest uit. Ik ben bang dat ze de werking van zo’n vest willen testen. Mijn collega’s verklaren me voor gek.

Die avond komt het nieuws dat de rebellen zijn doorgestoten tot aan het Groene Plein in het centrum van Tripoli.

We rijden de duisternis in, richting hoofdstad. Op het Groene Plein staat een handjevol mensen. De rebellen zijn nerveus. „Blijf niet te lang”, waarschuwen ze. Even later breekt er een vuurgevecht uit. De rebellen zijn met te weinig man, te snel naar voren gegaan. Ook zijn er nog scherpschutters. Vlak voor de auto ketsen vonken af op de straat. Een voorbode.

23 augustus

We willen terug naar Tripoli maar er is geen benzine. Uiteindelijk krijgen we een paar liter uit de noodvoorraad van de raffinaderij.

Op het hoofdkwartier van de rebellen in Tripoli wordt ons verzekerd dat alles veilig is. Een kwartier later ligt de compound, die heel on-strategisch in een kom ligt, van alle kanten onder vuur. De aanval is angstaanjagend. Opeens wordt duidelijk hoe kwetsbaar we zijn en hoe weinig we eigenlijk weten. Komen Gaddafi-aanhangers de hele basis innemen en iedereen uitmoorden?

Na afloop zijn alle auto’s geraakt door kogels. Een wagen van een Italiaanse journalist is in vlammen opgegaan. Terug naar Zawiyah. Tripoli is te gevaarlijk vandaag.

24 augustus

Met duizenden tegelijk trekken de rebellen op richting het hoofdkwartier van Gaddafi: zes vierkante kilometer groot is het Bab Al Azzizya complex. We liggen de hele dag onder een brug. Het is heet. In Tripoli een kakofonie van ontploffingen en geratel van machine geweren. De rebellen zingen een strijdlied op de maat van de doffe dreunen van hun 14,5 mm geweer.

In een ambulance rijden we het complex binnen. Met loeiende sirenes rijden we toegangsweg op. De plunderaars komen ons al tegemoet.

Opeens is het donker en heeft iedereen wapens in handen. Een van de rebellen heeft alleen een kapotte kalasjnikov uit het complex weten mee te nemen. „Een teleurstelling”,zegt hij. „De anderen hadden allemaal actiefilm-geweren.”

25 augustus

Op bezoek in het huis van Moatassem Al Gaddafi, een zoon. Midden in de tuin de ingang van een tunnel die naar een gigantisch ondergronds bunkercomplex leidt. De Gaddafi’s moeten in constante angst hebben geleefd. Het complex – gebouwd door Duitsers – ziet er uit alsof het een atoomaanval kan weerstaan.

26 augustus

Er is geen water meer en de stroom is uitgevallen. Tripoli is pikkedonker. Ik neem een duik in het vieze water van het zwembad omdat ik al twee dagen niet meer heb gedoucht. Het is ongelofelijk om te zien hoe blij de Libiërs zijn. De journalisten wijzen op alles wat mis kan gaan: te veel wapens, geen leiderschap en geen voorzieningen. Zij praten vooral over het succes van hun revolutie.

Er is veel graffiti in Tripoli: ‘Allah is groot, Gaddafi is een hond.’ Er staat ook: ‘Geen moorden en geen tranen meer. Toekomst.’

    • Thomas Erdbrink