Zie dat continent toch voor vol aan!

Met zakelijke distantie kijkt de Brit Stephen Ellis naar de vreemde visies van Blair en Sarkozy op Afrika. Het is hoog tijd dat het westen houding en beleid fundamenteel gaat herzien.

A file picture taken on January 7, 2010 shows an armed Somali pirate along the coastline while the Greek cargo ship, MV Filitsa, is seen anchored just off the shores of Hobyo town in northeastern Somalia where its being held by pirates. Attacks on the world's seas are soaring as armed and dangerous pirates become increasingly emboldened, seizing more ships than before and taking even bigger risks, an international body said on July 14, 2011. AFP PHOTO/ MOHAMED DAHIR AFP

Stephen Ellis: Het regenseizoen. Afrika in de wereld. Bert Bakker, 254 blz. €19,95

Zelden in de recente geschiedenis werden Afrikanen zo geschoffeerd als op 2 oktober 2001. Tony Blair bestempelde Afrika op het congres van zijn Labour-partij als ‘een litteken op het geweten van de wereld’. Afrikanen reageerden boos en verontwaardigd. Zij voelden zich gekleineerd. Toch slaagde Nicolas Sarkozy er zes jaar later in Blair te overtreffen. ‘De tragiek van Afrika’, hield de Franse president een overwegend Afrikaans gehoor voor op 26 juli 2007 in Senegal, ‘is dat de Afrikaanse mens nooit echt de geschiedenis is binnengetreden’.

Overheersende reactie, nadat iedereen van de verbijstering was bekomen: in het Élysée huist een racist. Rama Yade, de in Senegal geboren politica die onder Sarkozy werkte als staatssecretaris, diende haar partijleider later van repliek. Afrika, merkte Yade droogjes op, is juist waar de mensheid zijn geschiedenis begon.

Stephen Ellis rekent grondig af met het eurocentrische wereldbeeld waar vooroordelen zoals die van Blair en Sarkozy uit voortvloeien. Afrika hoeft niet gered te worden van de Afrikanen, Afrika staat niet buiten de geschiedenis, betoogt de historicus Ellis in Het regenseizoen. Afrika in de wereld, een boek dat hij schreef op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het wordt tijd dat we Afrika voor vol aanzien.

De Brit Ellis is verbonden aan de VU in Amsterdam en het Afrika-Studiecentrum in Leiden. Hij hekelt de notie van Afrika als lijdend voorwerp in een geglobaliseerde wereld. Afrikanen zijn niet wilsonbekwaam, Afrikanen geven volop vorm aan hun omgeving. Sterker, schrijft Ellis, Afrika heeft nog nooit zo veel invloed uitgeoefend op de rest van de wereld als nu. Voetballers en mensensmokkelaars, muzikanten en piraten, cacaoboeren en internetoplichters: 1 miljard Afrikanen laten zich dagelijks gelden in Europa, Amerika en Azië. Afrika beschikt wel degelijk over agency.

Het streven Afrika te begrijpen vanuit de beweegredenen van Afrikanen zelf, Afrika eigen verantwoordelijkheid toe te dichten in plaats van af te schilderen als hulpbehoevend, is een trend van de laatste jaren. Al blijft Sub-Sahara Afrika de minst ontwikkelde regio met altijd wel een crisis (nu weer in de Hoorn van Afrika), er komt meer aandacht voor de economische groei en technologische vernieuwing.

Logisch dus, dat Het regenseizoen niet is geschreven ‘vanuit de visie die als „Afro-pessimisme” bekendstaat’. Dit betekent niet dat Ellis zich overgeeft aan Afro-optimisme. Het regenseizoen. Hij verzet zich tegen ‘er gloort licht aan het einde van de tunnel’-analyses die in trek zijn bij de ontwikkelingsindustrie. Het aantrekkelijke aan Ellis’ boek is de zakelijke distantie. De rommelige opbouw dient daarbij door de vingers te worden gezien. Stephen Ellis vervangt conventionele wijsheden en gangbare aannames door een originele visie op het continent.

Eurocentrische meetlat

Het fundamentele probleem is volgens Ellis dat Europeanen Afrika nog altijd langs een eurocentrische meetlat leggen – zie Blair en Sarkozy, leiders van de Europese landen met de meeste koloniale geschiedenis in Afrika. Door onze morele imperatief hebben we onvoldoende oog voor de eigen wijze waarop Afrika zich een positie verwerft in de wereld.

De meeste Afrikaanse staten zijn een halve eeuw onafhankelijk, maar ons Europese perspectief wordt nog steeds gekleurd door het verwachtingspatroon van destijds. Ons uitgangspunt blijft: ‘ontwikkeling’ als synoniem voor modernisering naar westerse snit. Zolang Afrika een traject kiest dat wij niet voor ogen hadden, spreken we van ‘onderontwikkeling’. We denken zo Afrika te begrijpen maar in feite, zegt Ellis, maskeren we daarmee ons gebrek aan een goed begrip. De hedendaagse hulpverlener met zijn fourwheeldrive vol goede bedoelingen stamt rechtstreeks af van de 19de-eeuwse missionaris met zijn hutkoffer vol bijbels.

Als voorbeeld verwijst Ellis naar de overgang van de koloniale naar de postkoloniale tijd. Anders dan vaak beweerd wordt, werd Afrika niet bewust afhankelijk gehouden door de ex-kolonisatoren. Het waren juist inheemse elites die de koloniale machtsstructuren intact hielden en de kersverse donoren behendig naar de mond praatten, om zo hun geprivilegieerde posities te behouden. Was dit verschijnsel gunstig voor democratie en economie in Afrika? Niet bepaald. Maar dat betekent niet dat het geen ‘ontwikkeling’ was in de zin van: zelf richting geven aan de geschiedenis.

Afrika geeft op meer onvoorziene manieren vorm aan zichzelf en de wereld. Ellis beschrijft hoe regeringsleiders het Internationale Strafhof – een bij uitstek westers concept – gebruiken om binnenlands politieke verhoudingen naar hun hand te zetten. En hoe Afrikaanse leiders de groeiende rivaliteit tussen China en het Westen aangrijpen om grondstoffen voor de scherpste prijs te verkopen – hoezo Afrika als speelbal?

Europa, concludeert Ellis, moet zijn houding en beleid ten aanzien van Afrika fundamenteel herzien, wil het niet op achterstand raken in de 21ste eeuw. Het westerse wereldbeeld en de daarop geënte instellingen die gestalte kregen tijdens de dekolonisatie (VN, IMF, Wereldbank) staan onder toenemende druk in de flat world. De economische crisis bemoeilijkt de legitimatie van de westerse receptuur voor Afrika. China presenteert een alternatief model. Het nieuwe, minder moralistische en meer zakelijke Nederlandse ontwikkelingsbeleid kan dan ook in beginsel op Ellis’ instemming rekenen.

Smokkel

Ellis adviseert om nadrukkelijker na te denken over contacten met lokale aanspreekpartners in Afrika voor het oplossen van grensoverschrijdende problemen als drugs-, wapen- en mensensmokkel. De klassieke centrale staat – decennialang het aanspreekpunt voor westerse regeringen en internationale instanties – verdampt immers in steeds meer Afrikaanse landen.

Ellis suggereert bijvoorbeeld dat de internationale gemeenschap de contacten moet intensiveren met de succesvolle, autonome Somalische regio Somaliland en niet eeuwig moet vasthouden aan de machteloze figuren in Mogadishu omdat die volgens de regels van het internationale spel nou eenmaal ‘centrale regering’ heten. Daar valt iets voor te zeggen.

Ellis’ betoog heeft wel een keerzijde. Zijn haast waardevrije opvatting van ‘ontwikkeling’ dreigt uit te lopen op waarderelativisme. Afrika mag zijn eigen, onvoorziene richting in de wereld kiezen, maar betekent dit ook dat het Westen die dus moet accepteren? Wat doen we met de hongersnood in Zuid-Somalië? Instemmen met de voorwaarden van de lokale machthebbers – terreurgroep Al-Shabaab – voor het leveren van noodhulp?

Terughoudendheid bij westerse autoriteiten valt te begrijpen. Wie zijn denken graag scherpt aan dit soort dilemma’s, beleeft genoegen aan Het regenseizoen.

    • Mark Schenkel