Schilderen in een tandartsstoel

Grote fresco’s maken was een teamsport, blijkt uit een puntig boekje waarin de door een Nederlandse Paus aangestuurde Broekenmaker ook nog aan de orde komt.

Ernest Kurpershoek: Italiaanse fresco’s. Olive Press, 159 blz. €15,-

De verveling kent vele slachtoffers. Lees de ruim 2.5 miljoen sites op internet. Of, veel beter, lees het recent verschenen Boredom, a lively history van de classicus Peter Toohey. Dankzij diens boek staat het vaak verdrongen gevoel van verveling weer volop in de schijnwerpers. De Boekenbijlage van vorige week bracht een recensie van Toohey’s boek en een dag later deed de NRC-bijlage Lux er een schepje bovenop met een alle verveling omvattend, knap essay van schrijfster Kathleen Vereecken.

Nietzsche omschreef het verveeld zijn als ‘de onaangename windstilte van de ziel’, las ik bij Vereecken. Voor Leonardo da Vinci (1452-1519) was er niets onaangenaams aan. Hij moedigde zijn leerlingen juist aan veel te lanterfanten; naar de wolken turen, naar oude muren staren, desnoods de blik richten op een kiezelsteen – Nietzsches akelige ‘windstilte’ was voor Da Vinci een balsem voor het brein. En was dat brein eenmaal verlost van ‘het moeten’ dan was de weg vrij voor de ene na de andere associatie.

Het visuele bewijs van die mentale bevrijding wordt geleverd in Italiaanse fresco’s, een klein, puntig en kundig boek van docent kunst- en architectuurgeschiedenis Ernest Kurpershoek. Het is een schetsblad van wat zou uitmonden in Da Vinci’s beroemde, grote fresco ‘Het Laatste Avondmaal’ in Milaan. Bijna letterlijk is op die tekening te zien hoe uit Jezus’ ene disgenoot de andere voortvloeit, als toonbeeld van écriture automatique.

Kurpershoek stelt in zijn boek uitgebreid de technische kanten van het fresco-schilderen aan de orde, maar ook de leef- en werkomstandigheden van de schilders en de spectaculaire ontwikkeling die dit genre van renaissance tot en met barok heeft doorgemaakt. Wat eind 13de eeuw begon met Giotto’s stijfjes gebarende figuren, nazaten van Byzantijnse mozaïekfiguren, mondde anderhalve eeuw later uit in de hemelse vergezichten van Michelangelo in de Sixtijnse kapel en nóg later in Tiepolo’s luchtreis van gevleugelde Pegasus in het Venetiaanse Palazzo Labia.

Da Vinci’s Avondmaal was de voorbode van die dynamiek. Bordkartonnen figuranten werden bij hem stervelingen van vlees en bloed. Vertwijfeling, bewondering, achterdocht, nieuwsgierigheid, niets menselijks is die discipelen rondom Jezus vreemd. Had Giotto (ca. 1266-1337) de beschikking over wat basisgebaren en standaard-emoties, Da Vinci etaleerde het hele menselijke driftleven.

Het schilderen van een grootschalige fresco was trouwens teamsport. Maanden, jaren werkten de schilder boven zijn macht, liggend op een steiger of in een soort kantelende tandartsstoel. Maar vergeten zijn de leerlingen en assistenten. Zij zochten de pigmenten in het open veld of kochten die bij de (klooster)-apotheek, om ze vervolgens in de werkplaats te vermalen, vermengen en te conserveren. Sommige kleuren waren zo kostbaar dat ze ’s nachts bewaakt werden. De knapen roerden verder het kalkmengsel tot een soepele zalf, klommen de steigers op en af – de vochtige pleisterlaag had een deadline – om de kartons met ontwerpen op het kalk over te brengen, om de kleuren aan te reiken. De samenwerking ging zo ver dat de meesters en zijn staf een gezamenlijk huishouden voerden. Kabaal, ruzies – de schilder maakte zich na het eten snel uit de voeten.

Kurpershoek gaat grondig in op het belangrijkste inzicht dat de renaissance-kunst voortbracht, het lineair perspectief, onderzocht door Filippo Brunelleschi. bekend van de Domkoepel in Florence, en op schrift gesteld door collega-architect Leon Battista Alberti. De menselijke figuur stapte dankzij het ingenieuze verdwijnpunt vanuit een benauwend kader de ruimte en de verte binnen. Andrea Mantegna (1431-1506) portretteerde halverwege de 15de eeuw de familie Gonzaga al in een ruime balzaal en schilderde op de voorgrond een trap om de blik van toeschouwer als het ware naar binnen te lokken. Geen enkele Gonzaga keek de toeschouwer aan, maar het zou niet lang duren of er ontstond wél een ‘oogcontact’ – werkelijkheid en illusie kwamen steeds nader tot elkaar.

De moordende concurrentie in de fresco-wereld baarde veel virtuositeit. Men diende snel en spontaan te werken, en vooral te suggereren dat een fresco van honderd vierkante meter een fluitje van een cent was. Wie twijfelde en treuzelde was een loser. Met deze schilderingen in openbare ruimtes was nu eenmaal veel eer te behalen, reden waarom schilders soms hun zelfportret bij wijze van reclame aan een gezelschap toevoegden. Originaliteit werd hét kwaliteitscriterium. Leermeesters imiteerde je niet langer, je overtrof ze. ‘Special effects’ werden ‘super special’. De kunst van het trompe l’oeil schilderen in de natte kalk ging zelfs zo ver dat Andrea Pozzo (1642-1709) de koepelloze kerk Sant’ Ignazio in Rome alsnog van een koepel voorzag, zij het in verf.

Kurpershoek herinnert nog even fijntjes aan die krankzinnige Nederlandse paus Adrianus VI (1459-1523). Als het aan deze Utrechtse moraalridder had gelegen werd de hele Sixtijnse kapel witgekalkt. Wég met die naakten van Michelangelo (1475-1564). En als dat niet kon, dan moesten de talloze dames en heren maar in een lendendoek of vijgenblad gekleed gaan. Michelangelo’s oud-leerling Daniele da Volterra, bijgenaamd Il Braghettone (de Broekenmaker) kreeg inderdaad de eervolle taak dat ondergoed aan te brengen. Gelukkig bleef Adrianus maar een jaar aan – hij werd vermoedelijk vergiftigd – Joost mag weten wat voor onzalige beeldenstormen hij in petto had. Eén van zijn plannen was het vermalen van de marmeren Laocoöngroep, nu gehuisvest in het Vaticaan.

Wie deze maand nog op reis wil naar Italië doet er dus goed aan dit boekje mee te nemen. Want behalve deskundigheid op het terrein van ‘de mannelijkste, zekerste en duurzaamste van alle methoden’ (Giorgio Vasari ) voorziet het ook in adequate illustraties en in kaartjes van alle Italiaanse regio’s. En daarop zijn de fresco’s die er toe doen – er zijn er nogal wat gemaakt tussen de 13de- en 18de eeuw – precies aangegeven. Ga daar rondkijken, en elke vorm van verveling is bij voorbaat uitgesloten.

    • Marianne Vermeijden