Ramp Twente-stadion toont: te veel mensen op de bouwplaats

De ontwerp- en bouwsectoren zijn versnipperd. Zo kunnen balkons en daken dus instorten. De bouw moet net als de auto-industrie werken aan een veiligheidscultuur, meent Johan Galjaard.

Het tussenrapport dat de Onderzoeksraad voor de Veiligheid 17 augustus publiceerde, bevestigt wat experts direct na de instorting van de Grolsch Veste, het stadion van FC Twente, al constateerden: toen met de afbouw werd begonnen, ontbraken essentiële onderdelen van de constructie. Er zijn dus fouten gemaakt. En als volgend jaar het eindrapport verschijnt, zullen daar ongetwijfeld verantwoordelijken voor worden aangewezen. Maar alleen daarmee wordt het onderliggende probleem niet opgelost.

Dat hoopte men al in 2003, na het neerstorten van een balkon in Maastricht. Iedereen zou zien dat het zo niet langer kon. Maar het bleek geen keerpunt. Niet alleen het aantal instortingen nam toe, maar ook het aantal bijna-calamiteiten, zoals bij het Bos en Lommer-complex in Amsterdam. Vorig jaar stortte in Rotterdam tijdens de bouw een ondersteuningsconstructie in, dit jaar onder meer een galerij in Leeuwarden en het stadiondak in Enschede.

De bron van de problemen is de fragmentatie van het ontwerp- en bouwproces. Die is de laatste decennia sterk toegenomen. Voor bijna ieder onderdeel en iedere handeling is een ander bedrijf verantwoordelijk. Daardoor zijn er nu veel meer partijen bij een project betrokken dan pakweg dertig jaar geleden. Op de bouwplaats is het een komen en gaan van tientallen, soms honderden mensen. Allemaal leggen zij een stukje van een complexe puzzel. Hoe het geheel er uit moet zien, weten ze vaak niet.

Ook de ontwerpkant is versnipperd. Vroeger maakte de constructeur het ontwerp, werkte dat uit en hield toezicht op de bouw ervan. Zo’n totaalopdracht komt nauwelijks nog voor. Verschillende onderdelen worden door verschillende bedrijven geleverd en ook door verschillende ‘deelconstructeurs’ uitgewerkt. Prima, als de verantwoordelijkheid voor de integratie van die delen maar goed wordt geborgd. En juist dat gebeurt onvoldoende.

Zelfs als het op papier in orde is, moeten op de bouwplaats alle onderdelen nog op de juiste manier en in de juiste volgorde worden gebouwd. Problemen ontstaan vooral als er wijzigingen aangebracht moeten worden. Er wordt dan vaak niet gekeken naar de gevolgen voor de constructieve veiligheid. Zelden wordt de ontwerpende constructeur geconsulteerd. En niet-constructeurs kunnen dat kennisgat niet opvullen.

Om het tij te keren is in 2006 door een brede vertegenwoordiging van de bouwsector het ‘Compendium aanpak constructieve veiligheid’ opgesteld. Elke opdrachtgever, constructeur, bouwer, toeleverancier en toezichthouder kan hierin lezen hoe de veiligheid moet worden geborgd. Het wordt echter nauwelijks toegepast. Ook pleit de constructeursbranche al jaren voor één partij die toezicht houdt op de veilige integratie van alle onderdelen. Maar dat loopt in de praktijk stuk op … geld.

Veiligheid kost inderdaad geld. En dat zal er pas komen als de bouw een veiligheidscultuur krijgt zoals de auto- of vliegtuigindustrie die al veel langer kent. Opdrachtgevers moeten zich meer dan nu bewust worden van hun verantwoordelijkheid voor de constructieve veiligheid en daar ook naar handelen. Ook moet het toezicht tijdens de uitvoering sterk verbeteren. En constructeurs zelf moeten veel meer dan nu met de vuist op tafel durven slaan zodra de veiligheid niet gewaarborgd is.

Ongetwijfeld zullen de onderzoeken die naar de Grolsch Veste lopen lessen opleveren. De belangrijkste is dat we moeten stoppen met symptoombestrijding en het probleem bij de bron aanpakken. Anders is het wachten op het volgende drama.

Johan Galjaard is voorzitter van de Vereniging Nederlandse Constructeurs.

    • Johan Galjaard