'Puur en eerlijk' - ja, ja

Bedrijven misleiden consumenten met zogenaamd duurzame producten.

Maar de milieucrisis los je niet op met handige marketing.

Illustratie Milo

Deze week werd bekend dat Vodafone Nederland zijn mobiele telefoons binnenkort gaat voorzien van een duurzaamheidslabel. Gebaseerd op vragenlijsten die Vodafone naar telefoonfabrikanten als Samsung en Nokia stuurt komt er een zogenaamde eco-score. In de winkels krijgen de telefoons vervolgens punten, op een schaal van 1 tot en met 5, waarmee wordt vastgesteld hoe duurzaam een mobiel is. Een telefoon met 1 punt is dan het minst ecologisch verantwoord, een met 5 punten het meest.

Dit lijkt een nobel streven, ware het niet dat een mobiele telefoon in essentie geen duurzaam apparaat is. Voor de productie ervan zijn grondstoffen als koper en kobalt nodig, die vaak onder deplorabele omstandigheden in Midden-Afrika uit de grond worden gehaald. Uit de mijngebieden in Congo klinken geregeld verhalen over mensenrechtenschendingen en ernstige milieuvervuiling.

Ook in de Aziatische productielanden werken mensen, vaak vrouwen, in gevaarlijke en mensonterende arbeidsomstandigheden. Bovendien moeten de telefoons vanuit Azië naar Europa worden vervoerd, wat enorm belastend is voor het milieu. En omdat wij in het Westen het idee hebben dat we elk jaar een nieuwe telefoon moeten aanschaffen, blijven er nieuwe apparaten gemaakt worden, terwijl de afvalberg van oude mobieltjes steeds verder toeneemt.

Als je alleen maar kijkt naar vragenlijsten die de fabrikanten zelf hebben ingevuld, is het maar de vraag of dergelijke misstanden echt in de berekening worden meegenomen. Daarnaast weet de consument aan de hand van een cijfer nooit wat er precies wel en niet duurzaam is aan een telefoon. Misschien heeft een mobiel met 4 punten wel een energiezuinige oplader, maar komen de grondstoffen gewoon uit een oorlogsgebied in Congo.

Het lijkt er dan ook op dat Vodafone zijn eco-score niet in de eerste plaats heeft bedacht uit oprechte zorgen over het milieu, maar eerder als een slimme marketingstrategie om meer telefoons te kunnen verkopen. Vodafone zou daarin niet de enige zijn. Steeds meer bedrijven gebruiken duurzaamheid als toverwoord om producten te verkopen, ook als die niet duurzaam zijn geproduceerd.

Het tv-programma De Keuringsdienst van Waarde liet onlangs nog zien dat het ecologische toiletpapier van Albert Heijn niet wezenlijk anders wordt gefabriceerd dan gewoon toiletpapier. Om de vellen wit te krijgen, zijn zelfs onnodig veel stroom, water, en allerlei schadelijke bleekstoffen nodig. Toch verkoopt Albert Heijn zijn duurzame wc-papier, onder de noemer ‘puur en eerlijk’, vervolgens voor dubbel zoveel geld.

Op deze manier worden milieubewuste consumenten die op zich bereid zijn om hun koopgedrag aan te passen, op sluikse wijze om de tuin geleid. Huismerken van supermarkten bedenken hun eigen duurzame logo’s, in voedselreclames wordt de schijn gewekt dat alles biologisch en duurzaam is. Maar hoe weet de consument nou echt waar hij voor betaalt?

De milieucrisis is een serieuze zaak. We zullen in het Westen ons consumptiepatroon drastisch moeten aanpassen, als we willen dat ook de toekomstige generaties nog van onze welvaart kunnen genieten. Nu de consument bereid is om meer uit te geven aan milieuvriendelijke producten, kan duurzaam ondernemen een stap in de goede richting zijn. Maar dan moet het voor de consument wel duidelijk zijn wat echt duurzaam is en wat niet.

Hans Schouwenburg studeert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht met een accent op duurzaamheidsvraagstukken.