Nee tegen Pathé

Films die mij raken zijn zelden Nederlandse films. Hoe zou dat toch komen? Geen talent, of krijgt het talent in de Nederlandse filmwereld te weinig kansen?

Ik ken die wereld niet goed genoeg om dat te kunnen beoordelen. Ik ben in de eerste plaats een filmconsument die, als iedere andere geïnteresseerde leek, het aanbod volgt, wat recensies raadpleegt en aarzelend zijn keus maakt.

Vaak valt het tegen omdat de recensenten weer eens te welwillend zijn geweest uit vrees voor kieskeurige zuurpruim te worden versleten. Af en toe stuit je op een meesterwerk, dankzij diezelfde recensenten of tips van vrienden.

De twee speelfilms die mij dit jaar het meest boeiden, kwamen uit Zuid-Korea (Poetry van Lee Chang-dong) en Iran (A Separation van Asghar Farhadi). Aanzienlijk armere landen dan Nederland, landen waar, mag ik aannemen, minder geld beschikbaar zal zijn voor een gunstig filmklimaat. Toch heb ik nog nooit een Nederlandse speelfilm gezien die zich met deze twee voorbeelden kan meten.

Wat die twee films met elkaar gemeen hebben, is de liefde voor het woord: er wordt ongewoon veel in gepraat, de handeling is niet heilig. Dialogen kunnen minutenlang duren en gaan soms weer snel over in een andere dialoog. Maar er wordt ook wel degelijk wat gezégd: met name in A Separation worden persoonlijke conflicten verbaal tot op het bot uitgevochten. Het is niet show, don’t tell, maar show ánd tell.

Er is artistieke moed voor nodig om in deze snelle tijd zo’n film te maken. Misschien durven we dat in Nederland niet meer. Het was een gedachte die onvermijdelijk bij me opkwam toen ik onlangs in de Volkskrant twee artikelen over film las.

Het eerste was een interview met de 37-jarige acteur Tygo Gernandt. Hij kreeg drie pagina’s toebedeeld waarin hij bijzonder weinig interessants over zijn vak te melden had. Hij bleek vooral bezig met ‘jezelf promoten’. „Het punt is: je moet in beeld blijven.” Ook tijdens het interview slaagt hij daar uitstekend in. „Hij kijkt om zich heen, vangt een handvol blikken van andere mensen, alsof hij zijn eigen theorie checkt.”

Hij is dan ook ‘beroemd’, lees ik in dat interview. Maar tegelijk wordt in een kort zinnetje vermeld dat hij Van God Los zijn beste film vindt – een film uit nota bene 2003. Waarom heeft hij in de acht jaar daarna geen betere film gemaakt? Dan was hij vast wereldberoemd geworden.

Het impliciete antwoord op die vraag kregen we een dag later, toen de Volkskrant twee Nederlandse filmmakers, Paul Ruven en Ate de Jong, aan het woord liet. „Kwaliteit is nauwelijks nog een maatstaf voor succes”, zegt De Jong. „En de regisseur en het scenario zijn slechts van marginaal belang bij het inschatten van een hit. Af-schuwelijk.”

Hoe ‘af-schuwelijk’ ook, het weerhoudt hem er niet van zijn steen(tje) aan deze ontwikkeling bij te dragen. Hij wil de film Het bombardement maken met zanger Jan Smit in de hoofdrol.

Uitgaan van het scenario is volgens De Jong een verouderde benadering, het gaat om een ‘must-see factor’. En Jan is dat, vooral als boksende bakkersknecht.

Paul Ruven vertelt over de macht van de filmdistributeurs. Je levert een A4’tje met een synopsis in en zij nemen de beslissing. Pathé had laatst iets geweigerd omdat het ‘te artistiek’ was. „En als Pathé nee zegt, wordt het heel moeijk.”

Als je een echte filmkunstenaar bent, zoals Chang-dong en Farhadi, zou je ook eens nee tegen Pathé moeten durven zeggen.

    • Frits Abrahams