Mishandeld om politieke satire

Ooit werd de internationaal befaamde Ali Farzat met de dood bedreigd door de Iraakse leider Saddam Hussein.

Gisteren werden zijn handen gebroken.

Een van zijn laatste cartoons toont de Syrische president Bashar al-Assad die een lift probeert te krijgen van een vluchtende Moammar Gaddafi. Dat was mogelijk de druppel. Gisteren werd de internationaal bekende Syrische cartoonist Ali Farzat ontvoerd en mishandeld door gemaskerde leden van Assads veiligheidsdienst en pro-regeringsmilities. Ze braken zijn handen. Later werd Farzat, die in 2002 de Prins Clausprijs ontving, uit de auto gegooid.

Volgens de mensenrechtengroep stalen de aanvallers de inhoud van zijn koffertje, met name zijn tekeningen. „Zij hebben hem langdurig geslagen, speciaal op zijn handen. Voorbijgangers vonden Farzat op de weg naar het vliegveld en hebben hem naar het ziekenhuis gebracht.” In een persbericht hebben de activisten bekendgemaakt dat zij de veiligheidsdiensten volledig verantwoordelijk achten voor wat er met Farzat is gebeurd. „Des te meer omdat hij ogenblikkelijk een operatie aan zijn ruggegraat moest ondergaan.”

In december 2000 richtte Farzat, voorzitter van de Arabische Cartoonisten Organisatie, het satirische tijdschrift al-Domari op. In zijn cartoons neemt Farzat de bureaucratie, corruptie en hypocrisie van de regering en de welvarende elite op de hak. Zijn kritiek richt hij meestal op types en niet zozeer op specifieke personen. Zijn tentoonstelling in 1989 in het Institut du monde Arabe in Parijs kwam hem op een doodsbedreiging te staan van Saddam Hussein en een verbod van zijn werk in Irak, Jordanië en Libië. De meest controversiële tekening vertoonde een generaal die versierselen uitdeelt in plaats van voedsel aan een hongerige burgers. Ook al leverde zijn werk hem in 2002 de Prins Clausprijs op, in 2003 zag hij zich genoodzaakt te stoppen met al-Domari, vanwege de veelvuldige censuur door de regering en een tekort aan inkomsten.

    • Frank Vermeulen