In de file om beter te stelen

De gevechten rond Gaddafi’s hoofdkwartier zijn voorbij. Op de grote rotonde voor Bab al Azaziya, zijn uitgestrekte kazerne in Tripoli, verraden vliegen en een vreselijke stank wat hier dagen is gebeurd. Op en rond de rotonde liggen tientallen lijken te rotten in de zon.

Het zijn Gaddafi-strijders, de meeste in burgerkledij, en ze zijn allemaal afgemaakt met een nekschot. Eén man in een tent die blijkbaar als veldhospitaal diende, lag aan een infuus toen hij werd doodgeschoten. Ook in een ambulance ligt een lijk.

De rebellen zeggen dat Gaddafi-soldaten op de vlucht deze mannen hebben afgemaakt, maar het omgekeerde lijkt logischer: dat rebellen wraak hebben genomen.

Verder naar het zuiden, in de Abu Salim-buurt, werd gisteren nog gevochten. In de flatgebouwen zouden zich sluipschutters hebben verschanst. Omdat er ’s ochtends doorgaans niet wordt gevochten – tijdens ramadan liggen velen dan in bed – is moeilijk te zeggen of de Gaddafi-elementen hier zijn uitgeschakeld. De groene vlaggen en de intacte portretten van Gaddafi suggereren dat het nog niet helemaal voorbij is.

Wie zich daar niet aan storen, zijn honderden burgers die zich met overgave op enkele warenhuizen hebben gestort. Er staat een file van auto’s klaar om koelkasten, stofzuigers, air conditioning-toestellen en computers te plunderen. Wie geen auto heeft, laadt de koelkasten op zijn rug. „Dit is allemaal van de Gaddafi’s, nu is het van het volk,” zegt een man met een kalasjnikov.

Het gaat door tot er een konvooi rebellen langsrijdt. Woedend begeven bevelen de mannen, schietend in de lucht, de plunderaars te stoppen; anderen dragen geplunderde goederen terug naar het warenhuis. „Ja maar”, probeert een man met een boor en een printer onder zijn armen nog. Een buurtbewoner probeert de aanwezige journalisten weg te jagen. „Dit is niet goed voor ons land,” zegt hij, „wij zijn niet zoals de Gaddafi’s. Wij zijn geen dieven.”