Geloven is een talent, zoiets als liefhebben of schrijven

Martin Walser: Muttersohn. Rowohlt, 505 blz. € 24,95

‘We geloven meer dan we weten.’ In Martin Walsers nieuwe roman Muttersohn is dat een sleutelzin. De nu bijna 85-jarige schrijver gaat op zoek naar het geloof – en vindt een messiaanse figuur. Percy, psychiatrisch verpleegkundige, kwam net als Jezus Christus door een onbevlekte ontvangenis ter wereld. In de kliniek waar hij werkt bekommert hij zich om de moeilijkste patiënten. Met zijn zachtmoedigheid geneest hij bijna iedereen.

Heeft Martin Walser, altijd goed voor polemiek en controverses, zich over het thema religie ontfermd omdat het een laatste taboe is, in literaire kring? Of ging hij een oude behoefte achterna?

Katholiek was de grote oude heer van het Bodenmeer altijd al. De kerken en barokke kunstwerken van zijn geboortestreek inspireren hem meer dan wat ook ter wereld. Nooit zou hij Zuid-Duitsland voor het protestantse noorden kunnen verruilen, waar naar zijn idee kille nuchterheid heerst.

Nuchterheid is sowieso niet de favoriete gemoedstoestand van Martin Walser. Hij is immers geen wetenschapper maar een schilder van de ziel. Met grote sympathie schrijft hij over gekwetste en gekwelde mensen, mannen meestal, die de eenzaamheid, de concurrentiedwang en de afhankelijkheid van hun bazen niet langer verdragen. Ze schreeuwen om verlossing, deze Zürns, Dorns en hoe zijn helden ook mogen heten.

Dus verbaast het niet dat Walser die getergde creaturen beterschap wenst, op zijn oude dag. En het gesticht Scherblingen, in Muttersohn, is voor beterschap niet eens zo’n gekke plek, want ooit was het een klooster. Van de gewijde ruimtes gaat een heilzaam effect uit waaraan zelfs de directeur zich niet kan onttrekken.

We kennen deze professor Feinlein al uit de novelle Mein Jenseits. Die is in zijn geheel in de nieuwe roman opgenomen. Het is het sterkste deel, met een verteller die laconiek over ouderdom nadenkt. En over religie, natuurlijk. ‘Geloven’, denkt Feinlein hardop, ‘betekent bergen beklimmen die er niet zijn.’ Geloven is een beweging. Geloven is een talent, zoiets als liefhebben of schrijven. Volgens Feinlein dan, die in zijn godsdienstijver zover gaat dat hij een monstrans ontvoert. Hij slijt het einde van zijn leven in de inrichting – als patiënt dit keer.

Een beetje goede wil moet de lezer van Muttersohn wel hebben. Hij moet zijn weg zien te vinden door een wirwar van verwikkelingen die meer dan vijfhonderd bladzijden beslaan en die op de wildste manieren zijn opgeschreven. Dagboekfragmenten, gedichten, aforismen en theaterachtige dialogen zijn in de toch al wijdlopige tekst opgegaan. Het is onmogelijk om alles te absorberen – maar soms kijk je verrast op.

Van het wonderlijke personage Ewald Kainz bijvoorbeeld. Ongelooflijk dat Walser zich in zo’n man wist te verplaatsen: Kainz is lid van een motorgang en in cultureel opzicht totaal onontwikkeld. Toch komt Kainz heel dichtbij. Klemgezet tussen zijn geliefde vrouw en zijn niet minder geliefde minnares belandt hij in Scherblingen. Of Percy deze suïcidale patiënt kan genezen, verklappen we hier niet. Gezegd zij alleen dat Muttersohn een merkwaardig boek is, vroom en losgeslagen, lichtzinnig en diepserieus. Een curiosum van een praatgrage grootmeester.

    • Anneriek de Jong