Een Afghaan wedt op twee paarden

De Russische oorlog in Afghanistan duurde tien jaar, in oktober bereiken de Amerikanen dit lustrum. Wat kunnen de Amerikanen leren uit twee recente boeken over de Russen in Afghanistan?

US Medic Stephan Flynn reads a medical report for a wounded Afghan border police during a flight with Medivac (medical evacuation) helicopter of 159th Brigade Task Force Thunder to Kandahar hospital on August 17, 2011. AFP PHOTO/Johannes EISELE AFP

Rodric Braithwaite: Afghantsy. The Russians in Afghanistan 1979-89 Profile Books, 417 blz. € 33,99

Artemy Kalinovsky: A Long Goodbye The Soviet Withdrawal from Afghanistan. Harvard University Press, 320 blz. € 27,99

‘We probeerden de Afghanen te leren hoe ze een nieuwe samenleving moesten opbouwen, in de wetenschap dat het onszelf niet was gelukt. Ons leger kreeg taken die het niet kon uitvoeren, omdat geen enkel normaal leger de problemen van een guerrillaopstand kan oplossen.’

Ga vandaag naar een willekeurige NAVO-basis in Afghanistan en het zal niet veel moeite kosten deze twee zinnen op te tekenen. Dat is misschien treurig voor het vertrouwen in de missie. Nog treuriger is dat dit citaat twintig jaar oud is. Het werd uitgesproken door een Sovjetsoldaat tijdens de Afghaanse Oorlog; die invasie duurde van de 1979 tot 1989.

Twee boeken over de Russische missie laten zien hoe de geschiedenis zich op z’n minst een klein beetje herhaalt: het was de hervormingsgezinde Michael Gorbatsjov die in 1985 de oorlog erfde van zijn voorganger, net zoals Barack Obama de oorlog erfde van zíjn voorganger. Hun doel: de oorlog ‘netjes’ ten einde brengen met de hulp van een zwakke Afghaanse president.

Nog een overeenkomst is te vinden in de toenemende afkeer van de oorlog bij de eigen bevolking, plus de financieel penibele situatie waarin de Sovjet-Unie destijds verkeerde, en waar de VS nu mee kampen. De Russische oorlog duurde tien jaar, de huidige oorlog bereikt die macabere mijlpaal in oktober.

Ook het soort vijand waartegen de Russen streden, de mujahedeen, lijkt in twee druppels water op de Talibaan van nu. Het is het type vijand dat qua aantal in de minderheid is. Slagen worden gewonnen door op onverwachte momenten hinderlagen op te werpen, van grote afstand raketten af te vuren of door mijnen en bermbommen te plaatsen. Zo’n guerrillastrijd is taai en traag en wordt door de strijders uitgevochten in het besef dat er altijd een moment komt dat de ‘bezetter’ het geëtter zat is en zal afdruipen. Zoals het Afghaanse gezegde luidt: jullie hebben de horloges, wij de tijd.

Dit voorjaar maakte president Obama bekend dat hij zijn militairen in 2014 wil terugtrekken. Mits de situatie dat toelaat, voegde hij eraan toe. Hoe ging dat met die andere missie, die van de Russen? Twee Engelstalige boeken reconstrueren de aanloop, het verblijf, en de terugtrekking van de Sovjetmilitairen uit Afghanistan. In de grootste naoorlogse militaire operatie vielen er aan de kant van de Sovjet-Unie 15.015 slachtoffers (volgens Moskou). In diezelfde tien jaar tijd sneuvelden er tussen de 800.000 en 1,2 miljoen Afghanen.

De Russisch-Afghaanse oorlog verdient een goede geschiedschrijving. Niet alleen vanwege de overeenkomsten met het heden, maar ook door de oorzaak-gevolg-relatie tussen de inval van de Russen en de NAVO-missie. De haast waarmee de Gorbatsjov in 1989 zijn handen van Afghanistan aftrok, creëerde een machtsvacuüm in Afghanistan. De mujahedeen, die dit vacuüm vulden, raakten begin jaren negentig verdeeld. Krijgsheren begonnen elkaar te bestoken, over de hoofden van de bevolking heen. Miljoenen vluchtelingen trokken naar het grensgebied met Pakistan. Daar kwamen de Talibaan op. De bevolking in Afghanistan was de burgeroorlog beu en verlangde naar stabiliteit. In 1996 namen de Talibaan Kabul in. Na de aanslagen in de VS in 2001 weigerden de Talibaan Bin Laden uit te leveren, wat het begin was van de door de Amerikanen geleide operatie Enduring Freedom.

Dit is tevens een belangrijk verschil tussen de beide oorlogen. De inval van de VS in 2001 had een duidelijke aanleiding. Die van de Russen in 1979 was veel minder eenduidig. Hoe de Russen op het idee kwamen hun tanks en soldaten de Afghaanse woestenij in te sturen, staat het best beschreven in A Long Goodbye van Artemy Kalinovsky.

De kracht van dit boek is de scherpe historische analyse. Bij Kalinovksy ruik je het angstzweet van de Russische beslissers dat buurland Afghanistan ten prooi zou vallen aan de Amerikaanse invloed. Achteraf lijkt deze angst ongegrond, maar Kalinovsky maakt haar toch voorstelbaar: de islamitische revolutie in Iran in 1979 stelde de Sovjetplanners voor de vraag of Amerika nu Afghanistan als basis voor hun troepen en raketinstallaties zou willen gebruiken.

De detente bereikte een dieptepunt in 1979. Onderhandelingen over wapenreductie strandden in het Amerikaanse congres. In Moskou zagen voorstanders van de inval het als prestigeverlies als de Sovjet-Unie Afghanistan zou verliezen. Kalinovsky ziet de inval dan ook als onderdeel van de geopolitieke strijd tussen Amerika, China en Rusland in de Derde Wereld in de jaren tachtig.

Ook het gedrag van Hafizullah Amin, de Afghaanse president van september tot december 1979, wekte argwaan bij de Russen. Amin belde achter hun rug regelmatig met de Amerikanen. De angst leefde dat Amin zijn oren naar het westen zou laten hangen, waardoor de Koude Oorlog plots in de achtertuin van de Sovjet-Unie zou belanden. In december 1979 bestormde een KGB-eenheid het paleis van Amin. Totaal overrompeld belde hij de Russen, niet wetende dat het dezelfde Russen waren die hem zouden doden in zijn eigen paleis. Hiermee leek Moskou voorbij te gaan aan een typische gewoonte van Amin: een Afghaan wedt altijd op twee paarden. Loyaliteit voor Amin betekende: ’s ochtends bellen met de Russen, ’s avonds spreken met de Amerikanen.

Kalinovsky’s boek concentreert zich verder op de vraag waarom een terugtrekking door de Sovjet-Unie zo lang op zich liet wachten. Dat had vooral te maken met het aanhoudende geloof van de Sovjetleiders dat Afghanistan gestabiliseerd kon worden. Doordat Kalinovsky zich vooral concentreert op de Russische besluitvorming blijft de Afghaanse kant van de zaak onderbelicht. Onderzoek ter plekke zou nu ‘feitelijk onmogelijk’ zijn, meent hij. Maar hierdoor blijft het boek een tikkeltje academisch: prachtig voor de fijnproever met belangstelling voor politicologie, minder voor de lezer die een idee wil krijgen hoe de oorlog op de grond gestalte kreeg.

Het boek van Rodric Braithwaite (1932), Afghantsy. The Russians in Afghanistan, is om deze redenen superieur. Uit een indrukwekkende hoeveelheid bronnen en getuigenissen destilleert Braithwaite het complete verhaal van de oorlog, alsof je er midden in staat. Hij citeert mujahedeenstrijders, schetst het leven van goedwillende Russische hulpverleners in Kabul, vertelt verhalen van veteranen én analyseert tegelijk de politieke constellatie rondom de oorlog. Ook de titel is een vondst: Afghantsy betekent in het Russisch zoiets als Afghanistan-veteraan, maar herbergt in de Engels ook de samentrekking ‘fantasie’ en ‘Afghanistan’.

Afghantsy maakt overigens duidelijk dat er ook grote verschillen zijn tussen toen en nu. In tegenstelling tot Sovjettijden kan er nu redelijk vrij worden bericht over de toestand in Afghanistan. Vergelijk dat eens met toen: de Sovjet-Unie schoot in een gigantische kramp. Soldaten moesten in brieven naar hun ouders schrijven dat ze in Mongolië op expeditie gingen. Afghanistan werd een verboden woord. Het leidde tot absurde situaties: in een Sherlock Holmes-film vertelt Dr. Watson hoe hij gedesillusioneerd terugkeerde van de Tweede Ango-Afghaanse oorlog (19de eeuw). De Russische censor verving ‘Afghanistan’ door ‘een land in Oost-Europa’. Desillusie en Afghanistan in één zin? Dat kon echt niet.

Wat de Russen vooral niet wilden was een eigen ‘Vietnam’. Toch is dat wat ze kregen. Het land dat als een van de winnaars uit Tweede Wereldoorlog was gekomen, vertrok als verliezer uit Afghanistan. Terwijl de Pravda de successen bleef oppoetsen, denderde de laatste pantserwagen in 1989 over de Vriendschapsbrug. Op weg naar het moederland. Braithwaite achterhaalde de verhalen van de militairen die over deze brug gingen. Ze dachten enkel: waar zijn we aan begonnen? Aan de andere kant van de brug wachtte niets dan desillusie. Niemand uit Moskou had de moeite genomen de soldaten te verwelkomen. Het zijn dit soort verhalen die Afghantsy maken tot wat het is: een invoelbaar boek over de bizarre geschiedenis van de Russen in Afghanistan, die – laten we het hopen – in alle opzichten afwijkt van de terugtrekking die ‘ons’ momenteel te wachten staat.