Dit cv zegt: Nee

Geweldig idee, het samenstellen van een bundel met verhalen over het werkende leven. Vond de gediplomeerde bloemlezer Richard Ford tekenen van de huidige economische crisis?

Richard Ford (ed.): Blue Collar, white Collar, no Collar. Stories of Work. HarperCollins, 607 blz. € 17,50

Hoe zou het toch met Frank Bascombe gaan? Bascombe, een personage van de Amerikaanse schrijver Richard Ford, is één van de beroemdste werkende mannen uit de Amerikaanse literatuur. Ooit was Bascombe schrijver, later sportjournalist, maar uiteindelijk maakte Ford van hem, in de romans Independence Day (1995) en The Lay of the Land (2006), een makelaar. Wat er ook gebeurde in Bascombes gezin en omgeving – scheidingen, onhandelbare kinderen, ziekte en dood – de huizen bleven overeind. En de huizenmarkt ging goed.

Maar dat was in 2006. Dat was vóór de crisis.

Je denkt aan Frank Bascombe na het lezen van Blue Collar, white Collar, no Collar, Stories of Work, een door Richard Ford samengestelde bloemlezing. De mens wordt in belangrijke mate gedefinieerd door het werk dat hij doet, schrijft Ford in het voorwoord, en in zijn romans komt het drama dan ook regelmatig voort uit de baan van de hoofdpersoon. Daarbij maakte Ford behalve als romanschrijver naam als bloemlezer: hij stelde The Granta book of American Short Stories (1992) samen, een dito uitgave met lange verhalen (1999) en in 2007 nog een keer een nieuwe selectie korte verhalen, wat hem de naam opleverde van ‘een van de grote curators van het Amerikaanse levende museum’.

Heerlijk leesvoer, zo’n bundel, zeker voor wie zich dezer dagen met een zwaar gemoed weer in het alledaags gareel moet voegen – erg gemotiveerd is bijna niemand in dit boek. Bij een gediplomeerd bloemlezer als Ford ben je in goede handen. Alle grote namen staan erin, van John Cheever tot James Salter, van Alice Munro en Joyce Carol Oates tot Eudora Welty en Richard Yates. Recent opgekomen auteurs zijn niet vergeten, zoals Junot Diaz, Jhumpa Lahiri en Elizabeth Strout. En tenslotte valt er ook fijn wat te mekkeren over de auteurs die ontbreken. Hebben – ik noem maar een paar grootheden – A.M. Homes, Dave Eggers, David Foster Wallace, Lorrie Moore en Bret Easton Ellis dan nooit een verhaal geschreven waarin werk een rol speelt?

Maar interessanter dan gehakketak over namen is in een thematische bloemlezing het onderwerp. Welk portret van werkend Amerika wordt hier geschetst, juist op het moment dat de werkloosheid er de pan uit rijst? Hoe reageren schrijvers op de sociale en financiële crisis? En krijgen oudere verhalen hierdoor een nieuwe resonans?

Fords eigen vader was een reizende verkoper, schrijft hij in zijn inleiding, een handelsreiziger. Parker Carrol Ford veroverde in 1935 een baan bij het schoonmaakmiddelenbedrijf Faultess Starch in Kansas City en bleef daar tot zijn dood in 1960. Voor mannen van zijn generatie, schrijft Ford, betekende werk: achting, meetellen. ‘Werk werd zo ongeveer synoniem met zijn eigenschappen en zo een deugd op zichzelf. Ja, de dagen waren lang, de eenzaamheid was tastbaar en benauwend. Er waren geen bonussen of extra’s. Het werk was sedentair en monotoon en vervelend. Maar het was veel beter dan het alternatief: geen werk, geen zelfrespect, niets.’

Parker Caroll Ford nam nooit ontslag en ging nooit met pensioen. Hij stierf in het harnas, in 1960, aan een hartaanval.

Daarmee lijkt vader Ford op apotheker Henry Kitteridge, de apotheker uit Pharmacy van Elizabeth Strout, een van de verhalen in deze bundel. Elke ochtend stapt Henry vroeg in zijn auto en rijdt naar zijn apotheek in het belendende dorp. Hij neemt een nieuwe assistente in dienst, de jonge Denise. De buitenwereld is een mijnenveld; Henry’s vrouw Olive kleineert hem, en Henry is niet bij machte Denise tegen de slagen van het lot te beschermen. Maar in de apotheek, met zijn planken vol tandpasta, vitamines, schoonheidsartikelen en kruiken, zorgen Henry en Denise dat alles op orde is. In de apotheek bestaat voor alle problemen een oplossing. Daarbuiten niet.

Strout laat Henry Kitteridge op latere leeftijd terugkijken op dit ‘gelukkigste jaar van zijn leven’. Als hij langs de plek rijdt waar de apotheek ooit stond, kijkt hij de andere kant uit. Nu staat er een megastore.

Ford nam ook een verhaal op over een ober uit treinrestaurants, de man die onder alle omstandigheden soep en thee wist te reserveren zonder één druppel te morsen. En hij koos het verhaal Drummond & Son over een typemachinereparateur, wiens winkeltje drijft op een kleine krantenkring van liefhebbers en nostalgici. Ford houdt duidelijk van uitgestorven beroepen, van zieltogende en verdwenen middenstand. Pharmacy is afkomstig uit Strouts ook in het Nederlands vertaalde bundel Olive Kitteridge uit 2008. Maar het lijkt alsof het speelt in de jaren vijftig.

Natuurlijk is een winkel een goede plek voor een kort verhaal: een intieme setting die al gauw een onverwachte ontmoeting oplevert. Om dezelfde reden staan er ook verhalen over ziekenverzorgers en au-pairs in het boek. Naar een verhaal dat zich afspeelt in de grote structuur van zeg, een Wal-Mart, of een groot verzorgingstehuis is het in deze bundel dan ook vergeefs zoeken. Zelfs fraude, kun je zeggen, heeft hier een nostalgisch tintje, zoals in het verhaal over de jongens die biljarttafels afleveren en allerlei rottigheid uithalen in de huizen waar ze bezorgen. Biljarttafels!

Van sommige andere verhalen vraag je je af wat ze in deze bundel doen: daarin is werk een excuus voor de plot. Van zichzelf nam Ford bijvoorbeeld Under the Radar op, een verhaal over een echtpaar dat bij zijn baas gaat eten. Op de weg erheen bekent de vrouw dat zij overspel heeft gepleegd met de baas in kwestie. Er is sprake van een blauw oog, een kapot huwelijk en een overreden wasbeer. Maar over werk gaat het niet.

Ford houdt van sappelende eenlingen: veel personages zitten opgesloten in hun nietige levens, hun werk en hun verhaal. Maar een serie van zulk fragmentarisch ‘dirty realism’ levert precies dat op, een serie. Er rijst geen overkoepelend beeld op van de betekenis van werk. Over de werkhouding bij de zomerkrachten in een ijsfabriek schrijft Stuart Dybek: ‘Het had er mee te maken hoe je de tijd uitleverde – ik wist dat dat het was.’ In Great Experiment van Jeffrey Eugenides vraagt een accountant met fraudeplannen aan een uitgeefredacteur: ‘Wil je dit echt je leven lang blijven doen?’ ‘Ik wil niets mijn leven lang blijven doen,’ antwoordt deze. Over Steven Reeves, hoofdpersoon van Fords eigen verhaal, wordt verteld hoezeer hij zich opgenomen voelt in het bedrijf Packard Wells, hoezeer hij het gevoel heeft radartje te zijn van een organisatie die iets nuttigs tot stand brengt. In Unjust van Richard Bausch wordt de totale ontreddering beschreven van een sheriff die beschuldigd is van seksuele intimidatie. Maar dan heb je het wel gehad, als het gaat om observaties over de betekenis van werk in wat nu nog de grootste economie ter wereld is.

In zijn boek Superkapitalisme uit 2007 heeft de Amerikaanse econoom Robert Reich beschreven hoe het naoorlogse statische kapitalisme van de Amerikaanse Golden Age verdween. Door uitvindingen als de computer en de container, door mondialisering en onder druk van de ideologie van het neoliberalisme maakte het plaats voor wat Reich noemt het superkapitalisme, dat volatiel is, mondiaal, dynamisch en dat met veel minder mensen toe kan. Op zijn beurt wankelt nu dit superkapitalisme onder huizen-, banken- en schuldencrisis. Maar in Blue Collar, White Collar, No Collar is daar niets van te merken. Dit boek barst van nostalgie naar dat statische kapitalisme uit Fords jeugd. Alleen al de titel, want wie denkt er nog in boorden?

Er zijn twee uitzonderingen. Mooi is de valse boekhouding die wordt opgezet door de accountant en de uitgeefredacteur uit het eerder genoemde Great Experiment van Jeffrey Eugenides. In miniformaat is dat verhaal een portret van de VS, in ‘early-evening, late-capitalist light’. De eigenaar laat het runnen van zijn hobby-uitgeverij over aan zijn redacteur, Kendall. Die is bezig Democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville door te vlooien, op zoek naar citaten die de verwording van het land in een schril licht zullen stellen. Ondertussen probeert de accountant hem te verleiden tot het opzetten van een schaduwboekhouding. Kendall vraagt zijn werkgever om een levensverzekering. Als die hem dit weigert, gaat hij overstag. Fraude, belabberde arbeidsvoorwaarden, de allengs sneller wegglijdende middenklasse, de VS als Great Experiment dat faalt – alles zit erin. Maar het is een wat houterig verhaal.

Het mooist en trefzekerst is daarom Job History van Annie Proulx, uit 1999. Het is het cv van Leeland Lee uit Cora, Wyoming. Leeland maakt zijn school niet af. Hij trouwt Lori op zijn zeventiende. Hij werkt bij een benzinepomp. Er komt een grotere snelweg langs een andere route, de benzinepomp gaat failliet. Leeland gaat in het leger. Hij werkt als sneeuwruimer. Begint een winkeltje. Fokt varkens. Gaat failliet. Werkt in een vleesfabriek. Als vrachtwagenchauffeur. Fokt weer varkens. En telkens komt er een kink in de kabel: een brand, een faillissement, ontslag, een dip in de economie. Te veel kinderen, te groot onvermogen. Lori krijgt kanker en sterft. Leeland wordt ergens kok en maakt plannen voor een steakhouse. Dat is Job History; het verhaal houdt op, de ambachten en ongelukken gaan natuurlijk door. Dit cv zegt: nee. En dit cv is dat van zovele Leelands – van alle tijden, van overal.

Misschien is het te veel gevraagd om iets van recente crisis terug te willen zien in een anthologie met verhalen vanaf de jaren zestig. Of misschien zijn economische omwentelingen zó groot, dat het verhaal er niet tegen opgewassen is. Misschien draait het in het korte verhaal per definitie om het menselijk failliet, zonder dat je iets mee krijgt van het failliet van bedrijven, staten of systemen. Maar het is raar dat er in deze bundel uit 2011 zelfs nauwelijks een computer te bekennen valt, of een iPod. Dat er geen faillissement in voorkomt, geen hypotheek, geen baan die naar China verdwijnt. Als er al een raakvlak is tussen dit boek en de buitenwereld, dan is dat het besef van overbodigheid dat veel van de hoofdpersonen gemeen hebben. Leelands zijn het. Menselijk surplus. Niemand zit op ze te wachten.

Overal ter wereld komen de Leelands er momenteel in hoog tempo bij. Kiest Richard Ford dus zo eenzijdig? Of zijn Amerikaanse korte verhalenschrijvers zo wereldvreemd? Jongens, wordt wakker! Het is menens buiten! Richard Ford, gaan de opbrengsten van je bundel niet naar een schrijfproject voor achterstandsjongeren in Michigan? Heeft Michigan, door het instorten van de auto-industrie niet zo ongeveer de hoogste werkloosheidscijfers van de VS? Verkeert diezelfde VS, dankzij de noeste arbeid van de bankiers, niet op de rand van de afgrond? En zou het niet mooi zijn, van al deze turbulentie iets terug te zien in deze bundel? Waar is de architect van het massaontslag als hoofdpersoon? Waar de collega die moet toezien hoe een ander zijn bureau leegmaakt? Waar is het ultieme faillissementsverhaal? Waar het verdwenen pensioen? En, Richard Ford, zeg eens: hoe gaat het met de gewezen makelaar Frank Bascombe na de huizen- de bank- en de schuldencrisis? Heeft hij nog werk? Een pensioen? Een huis? Richard Ford, vertel het ons!