'De eeuw had een gore stijl nodig'

Johan de Boose schreef Bloedgetuigen, een 700 pagina’s tellend epos over Vlaams nationalisme, het beleg van Leningrad tijdens de Tweede Wereldoorlog, de terreur in sovjet-Rusland en de omzwervingen van een joodse familie in Oost-Europa. De Boose vond dat de eeuw waarin zijn roman zich afspeelt een eigen stem en gezicht kon gebruiken. Het werd een vloekende ‘slettebak’, die zich verlustigt aan het geweld dat zich in ‘haar’ honderd jaar voltrekt. „Ze vindt Hitler een fantastische vent.” Een gesprek over de troost en de ronselende werking van het geschreven woord, het dooretterende flamingantisme, de ‘homo sovieticus’ en de ruimte voor een boek over een onderwerp waarover al zoveel moois geschreven is.

Johan De Boose. katrijn van giel katrijn van giel

Dat er in ‘Bloedgetuigen’ een grote rol is weggelegd voor de Russische en Midden-Europese geschiedenis is te verklaren door uw achtergrond als slavist. Maar waar komt de verhaallijn, over een nationalistische Vlaamse familie vandaan?

„Toen ik in 1980 besloot om Russisch te gaan studeren leerde ik ook mijn vriendin kennen, de vrouw met wie ik nu getrouwd ben. Zij stelde me voor aan haar grootmoeder, en die wilde weten wat ik studeerde. Toen ik antwoordde dat ik Russisch studeerde, trok ze wit weg. Ik begreep niet waarom. In mijn eigen familie zit geen oorlogsverhaal en ik had eigenlijk geen benul van het feit dat ‘Rusland’ voor sommige Vlamingen een open zenuw was, omdat er ten tijde van de Tweede Wereldoorlog vele Vlaamse nationalisten aan het Oostfront zijn gesneuveld in hun strijd tegen het bolsjewisme.

„Wat bleek: grootmoeders oudste zoon was een van hen. Hij was in 1943 naar Leningrad vertrokken en omgekomen. Het ging daar aan tafel zelden of nooit over – alleen in bedekte termen. Er was veel wrok. Niet alleen wegens het feit dat die zoon was omgekomen, maar ook over de naoorlogse gevolgen die het voor Vlamingen had die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de kant van de Duitsers hadden gestaan. Sommigen kregen bijvoorbeeld geen pensioenen omdat ze ‘verkeerd’ waren geweest. En het Vlaams-nationalistische sentiment was ook helemaal niet uit België verdwenen na de oorlog. Dat intrigeerde me, alhoewel ik er bij de familie van mijn vriendin niet volledig de vinger achter kon krijgen. Toen al is dat idee ontstaan om het ooit in een boek te verwerken.”

Alleen het woord ‘Russisch’ was voor die grootmoeder voldoende om u te wantrouwen?

„Ik wilde gewoon iets gaan studeren dat niemand anders deed, er lag geen enkele communistische overtuiging aan ten grondslag. Maar in die tijd was het gebruikelijk om alles wat maar enigszins met Rusland te maken had, met communistische sympathieën te associëren.

„Dat was ook niet zo vreemd, want je moest in die tijd wel een beetje naar het pijpen van de Russen dansen wanneer je achter het IJzeren Gordijn wilde komen. Ik wilde een jaar in Warschau studeren. Ik moest naast een visum speciale papieren invullen, mocht dingen niet meenemen en werd voortdurend gecontroleerd.

„De boeken waar we op de universiteit Russisch uit leerden, waren Sovjetboeken vol heroïsche termen die de Sovjetstaat idealiseerden. Dat wekte uiteraard enige wrevel op bij een familie die direct en indirect zo benadeeld was door datzelfde land. De familie van mijn vriendin heeft mede model gestaan voor de familie Martin in de roman.”

Het flamingantisme bereikt die familie Martin al vroeg, in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog.

„De kloof tussen Vlamingen en Walen is in die periode gegroeid. Ze vochten zij aan zij in het Belgische leger, maar sommige Vlamingen voelden zich in dat hoofdzakelijk Franstalige leger gepasseerd. Er zijn over die periode veel mythes ontstaan. Zo zouden er bijvoorbeeld Vlamingen zijn gesneuveld omdat ze de Franstalige bevelen aan het front niet konden verstaan.

„Die mythes zijn later ontkracht, maar zijn wel degelijk ‘waarheden’ geworden in de flamingantische beweging. Er is een bewustzijn van Vlaams nationalisme gegroeid, en een van de gedachten die tijdens het interbellum leefden, was dat Vlaanderen zich misschien wel bij dat grote Germaanse rijk zou kunnen voegen. Dat werd versterkt door Hitler, die de Vlaamse nationalisten zelfstandigheid beloofde wanneer ze met hem zouden meevechten. Een onzinbelofte, want wilde geen onafhankelijkheid van wie ook, hij wilde alles juist opeten.”

Wat is er na de Tweede Wereldoorlog met het flamingantisme gebeurd?

„Het is blijven leven. Er is in België nooit amnestie verleend aan degenen die tijdens de oorlog aan de verkeerde kant stonden. Zo ontstond er een Vlaams-nationalistische subcultuur die zich uitte in bepaalde kroegen of organisaties als amateurtoneel. Later heeft zich dat vertaald in een politieke stroming als het Vlaams Blok. En nu heb je de Nieuwe Vlaamse Alliantie, die niets met het Vlaams Blok te maken heeft, maar wel probeert oude nationalistische ideeën nieuw leven in te blazen.”

Bijzonder aan ‘Bloedgetuigen’ is dat cultuur gepresenteerd wordt als iets dat voor sommige mensen heel waardevol kan zijn, maar voor anderen juist riskant.

„Dokter Darkin, het personage uit het boek dat mij misschien nog wel het liefst is, wapent zich met behulp van de cultuur tegen de ontberingen tijdens het beleg van Leningrad in de Tweede Wereldoorlog. Hij blijft overeind, omdat hij met zijn intellect de ellende enigszins of afstand weet te houden. Maar die veel eenvoudiger familie Martin wordt bij wijze van spreken geronseld door de Vlaams-nationalistische retoriek in liedjes en gedichten.

„Men kan Darkin zien als het Russisch cultureel geweten. Hij is de vader van een balletdanseres en dichteres en moet zich als intellectueel niet alleen door het beleg van Leningrad vechten, maar leeft het grootste deel van zijn leven ook nog eens in communistisch Rusland.

„Tegenover die beschaafde familie Darkin heb ik het personage Nikifor geplaatst, de vleesgeworden Sovjet. Hij controleert Darkin en zijn dochter voortdurend, omdat ze deel uitmaken van een klasse die gewantrouwd moet worden. Nikifor hangt als veel Sovjets het idee aan dat je het de mensen zo moeilijk mogelijk moet maken. Ik heb hem oud, klein en lelijk gemaakt, zodat hij voor mij het ultieme symbool werd van de sovjetrepressie.”

Hoe geef je als schrijver stem aan zo iemand?

„Dat is een van de lastigste opgaven geweest, want zulk soort geschriften zijn mij inderdaad nauwelijks bekend. Ik heb hem ook pas vrij laat het boek ingeschreven. Pas toen ik de research had gedaan en al met het eigenlijke schrijven bezig was, realiseerde ik me dat er iemand ontbrak. Hee, dacht ik, dat regime moet vertegenwoordigd worden, het moet een gezicht krijgen. Er kunnen niet alleen slachtoffers van het communisme in voor komen, wanneer dat hele land doordesemd is met intriganten en handlangers.”

In de verantwoording somt u een groot aantal bronnen op voor uw roman, en binnenin barst het van de verwijzingen en knipogen naar de wereldliteratuur. Werd de ruimte voor een eigen roman niet steeds kleiner?

„De noodzaak om die Vlaamse lijn van de familie Martin op te schrijven heeft nooit ter discussie gestaan. Er is door auteurs als Claus en Walschap weliswaar volop over de oorlog geschreven, ook vanuit het perspectief van de ‘foute’ Vlaming, maar nooit vanuit de confrontatie met een Russische soldaat. Dat is essentieel voor mijn boek.

„Maar toen ik in 2006 al behoorlijk met het schrijven van Bloedgetuigen was gevorderd en Jonathan Littells De welwillenden las, schrok ik wel even. Ik dacht: goed, dat hoef ik dus niet meer te vertellen, dat staat hier in. Ik heb vervolgens bewust dingen laten vallen. Zo liep ik al twintig jaar rond met het idee om het bloedbad van Babi Jar in het boek op te nemen. Maar dat staat bij Littell indrukwekkend beschreven. Ik heb nu alleen nog maar Babi Jar genoemd en daarmee intertekstueel naar Littells boek verwezen.

„Een ander boek dat zich in het vaarwater van Bloedgetuigen bevindt is Leven & lot van Vasili Grossman. Ik wist dat het bestond, maar ik had het nooit gelezen. Toen dat in 2008 in vertaling uitkwam schrok ik nog meer. Het is een polyfoon verhaal dat veel stemmen bevat. Zo geeft Grossman op een geweldige manier een stem aan iemand die in een concentratiekamp de gaskamer ingaat. Ook zoiets had ik zelf voor ogen te gaan schrijven. Maar goed, dacht ik, als dat er blijkbaar al is, dan hoef ik dat dus niet meer te doen. Het leitmotiv van Bloedgetuigen is geweest: er moet iets in staan wat ik in geen ander boek heb gevonden.

„Ik kan de namen van tientallen, veelal Slavische auteurs noemen wier romans ik in de loop van de jaren heb gelezen en bestudeerd. Hun invloed zie je natuurlijk terug in mijn eigen boek. Je kunt het ook omdraaien. Ik heb na de voltooiing van Bloedgetuigen een reis naar Litouwen gemaakt en las daar Michel Tourniers De elzenkoning, omdat dat deels in Litouwen speelt. Ik las de eerste bladzijde en dacht: had ik dit gelezen vóór Bloedgetuigen, dan zouden er ongetwijfeld sporen van in mijn boek zijn terecht gekomen. Nu heeft Littell wel zijn invloed op Bloedgetuigen gehad en Tournier niet. Terwijl De elzenkoning een beter boek is dan De welwillenden.

De drie verhaallijnen van ‘Bloedgetuigen’ worden afgewisseld met een aantal essays van een grof gebekte 20ste eeuw. Waarom heeft u deze eeuw het gezicht gegeven van een ‘slettebak’, zoals ze bij de lezer wordt geïntroduceerd?

„Ik heb lang getwijfeld of ik haar het boek wel moest inschrijven, maar uiteindelijk denk ik dat het goed is geweest. Het boek miste een bredere historische context waar ik de drie verhaallijnen omheen kon vlechten. In wat voor tijd zijn die mensen terecht gekomen? (Lachend) Ik heb het ook wel voor de Nederlandse lezer gedaan eigenlijk, vooral omdat die misschien wel helemaal niet bekend is met dat hele Vlaams-nationalistische verhaal. Dat moest in een soort gore stijl gebeuren, vond ik. Iets waarvan de lezer achterover zou slaan en zou denken: zó erg zal het toch allemaal niet geweest zijn?

„Céline is voor het ontwikkelen van die stijl zeer belangrijke lectuur geweest. Er moest iemand aan het woord komen voor wie moraal geen rol speelt. Ze heeft een perfect geheugen, maar geen geweten. Hoe erger het wordt, hoe liever ze het heeft. Ze vindt Hitler een fantastische vent.

,,Toen ik haar stem vond, is het razendsnel gegaan. Haar monologen vloeiden er zo uit. Ik kon de kraan opendraaien en het laten stromen. Ik kon dat demonische hoekje in mijn hoofd waar al die vunzigheden veilig opgeborgen zitten openmaken en alles laten ontsnappen. En het daarna weer veilig dichtmaken.”

Waarom is het eigenlijk een vrouw?

„Vrouwelijke recensenten hebben me dat kwalijk genomen. Ik dacht: er lopen al zoveel verschrikkelijke mannen rond in dat boek, er zijn ook verschrikkelijke vrouwen. En die eeuw moest een oude roddeltante worden, ik zie een man dat niet snel vertellen. Ik zou haar graag op het toneel willen introduceren.”

Johan De Boose: Bloedgetuigen. De Bezige Bij Antwerpen, 734 blz. € 29,95. Dit is de achtste en laatste aflevering in een serie interviews met schrijvers die het afgelopen seizoen in het middelpunt van de belangstelling stonden. De eerdere gesprekken, te lezen via nrc.nl/boeken, waren met Arnon Grunberg, Benny Lindelauf, Stine Jensen, Anil Ramdas, Gustaaf Peek, Thomas Verbogt en Anne Vegter.