De dope wordt duur betaald

Gemma Blok laat in haar mooie studie zien hoe verslavingszorg al een eeuw schommelt tussen tolerantie en repressie. Maar behoort genezing ook tot de mogelijkheden?

Gemma Blok:Ziek of zwak. Geschiedenis van de verslavingszorg in Nederland. Nieuwezijds, 292 blz. € 24,95

Drugs en alcohol, nooit werd er in Nederland meer van geconsumeerd dan nu, maar de houding is al decennialang tamelijk tolerant. De verslavingszorg heeft het steeds drukker. De politie rolt routinematig illegale wietplantages op. Er is gedoe over drugstoerisme en coffeeshops. Maar echt opgewonden raken politiek en maatschappij er niet van.

Dat is niet altijd zo geweest. In de Nederlandse aanpak van alcohol- en drugsverslaafden wisselen tolerantie en repressie elkaar al ruim honderd jaar af. Ook de bejegening van verslaafden schippert tussen mededogen en harde aanpak. En nog twee terugkerende modes: moet je geheelonthouding nastreven, of vooral de schade van de verslaving beperken?

Historica Gemma Blok heeft het in haar geschiedenis van de verslavingszorg over pendelbewegingen. Maar na lezing van haar boek kun je ook concluderen dat er in Nederland een langzame ontwikkeling heeft plaatsgevonden naar mededogen met de verslaafde.

Hoe staat het ervoor? De heroïne- en crackgebruikers (de junks die eind vorige eeuw voor veel overlast zorgden) worden juridisch in bedwang gehouden, maar kunnen tegelijk rekenen op een laagdrempelige hulpverlening. Veelplegers worden fors gestraft, maar methadon (dat geen hevige kick geeft maar wel een tijdje tegen onthoudingsverschijnselen beschermt) is makkelijk verkrijgbaar. En de heroïneverslaafde met een lange verslavingscarrière die het niet lukt om af te kicken kan uiteindelijk zijn heroïne op recept krijgen. Dat verbetert zijn toestand aanzienlijk: hij hoeft niet meer uit stelen voor zijn dagelijkse portie heroïne. Dat geeft rust en regelmaat, wat wel zo prettig is voor de oudere verslaafde én voor de stadsbewoners.

Tolerantie

Misschien blijft het niet zo en slingert Bloks pendel toch weer van tolerantie naar repressie. Bij de Kamerverkiezingen van 2006 keerde de PVV zich in een kort verkiezingsprogramma (de ‘visie’) tegen vrije heroïneverstrekking. Ook moesten de coffeeshops dicht. Maar drie jaar later komen in het veel uitgebreidere verkiezingsprogramma van 2009 de woorden heroïne en drugsverslaafde niet meer voor. Het woord drugs staat er eenmaal in: schoolleiders moeten aangifte doen van alle drugsincidenten op scholen. De coffeeshops mogen blijven, behalve in een straal van een kilometer rondom scholen.

Die coffeeshops werden in Nederland talrijk na de wijziging van de opiumwet in 1976, die het bezit van softdrugs voor persoonlijk gebruik toestond. Het is nauwelijks voorstelbaar dat omstreeks 1970 mensen met bescheiden hoeveelheden hasj op zak nog werden opgepakt en soms zelfs gevangenisstraf kregen.

De tolerante houding tegenover softdrugs houdt sindsdien al 30 jaar stand. Blok beschrijft het ontstaan met treffende citaten en anekdotes. In 1969 was hasj een gewild middel onder intellectuelen en kunstenaars. Maar Henk Krauweel, directeur van de Amsterdamse Jellinek-kliniek, kreeg toen al de jonge probleemgebruikers aan de deur. Hij zei: ‘Ze hebben vaak een ongezonde manier van leven. Ik kom veel inactiviteit tegen. Jongens die met hun studie stoppen, die niet meer werken [...] Onze ervaring is dat hasjiesj en marihuana giftige stoffen zijn waardoor je in de knoei kan komen.’

En staatssecretaris Roelof Kruisinga, lid van de Christelijk Historische Unie (later CDA) en arts, bleef een uitgesproken tegenstander van een liberaal drugsbeleid. In antwoord op Kamervragen schreef hij in 1971: ‘Het optreden van hallucinaties, gestoorde tijdsbeleving, storingen in de uitvoering van vaardigheidshandelingen en zelfs paniekreacties én toxische psychosen zoals die voorkomen bij het gebruik van hennepproducten rechtvaardigen allerminst het gebruik van het woord soft of zacht.’

Toch werd het gebruik een paar jaar later vrijgegeven. Kruisinga was weg. De wetswijziging was het werk van een links kabinet met Joop den Uyl als minister-president en Irene Vorrink als minister van Volksgezondheid. Dries van Agt was de verantwoordelijke minister van Justitie. Blok citeert hem: ‘Willen wij die bedreiging realiseren jegens jongelui die stickies roken? Nee, driewerf nee. Willen wij de pubers en adolescenten (die drugs gebruiken) werkelijk opsluiten in huizen van bewaring tussen het crimineel allegaartje daar? Al evenmin. Willen wij de jonge vogels die hun maatschappelijke wieken nog moeten uitslaan daarmee knakken? Dat wil eigenlijk niemand.’ De voorbeelden die Blok aanhaalt maken het boek leesbaar. Maar ondanks de duidelijke conclusieparagraaf aan het eind van ieder hoofdstuk blijft de geschiedenis van de verslavingszorg rommelig. De pendelbeweging waar Blok graag over schrijft is niet altijd even duidelijk. Uit het boek blijkt net zo goed dat diverse benaderingen (de verslaafde is ziek of een gedegenereerde zwakkeling) naast elkaar bestonden.

Bloks boek is vooral Amsterdams georiënteerd. Ze schrijft in haar inleiding dat in die stad ‘de drank- en drugsconsumptie het hoogst liggen en dat de drank- en drugshulpverlening er ook al vroeg ontstonden.’ Nadeel is dat daardoor bijvoorbeeld ontwikkelingen en frustraties in de Nederlandse grensgebieden onvermeld blijven.

Blok schrijft alleen over alcohol- en drugsverslaving. Niet over cafeïne- of nicotineverslaving. Nu is cafeïne een goedaardig verslavend middel, maar nicotine heeft de afgelopen 25 jaar in feite dezelfde status gekregen als alcohol: het vernietigt de gebruikers en omstanders hebben er last van. Verkoop en gebruik zijn wettelijk beperkt, net als alcohol. Aan kinderen en pubers (jonger dan 16) mogen winkeliers geen tabak en alcohol verkopen. De hulpverlening aan nicotineverslaafden is weliswaar tamelijk nieuw, maar niet veel nieuwer dan de zorg voor drugsverslaafden die pas vanaf 1970 bestaat.

Het grootste deel van het boek beslaat de zorg voor de alcoholverslaafde, die ontstond al in de 19de eeuw, toen jenever goedkoper werd dan bier, toen arbeid zo ingewikkeld werd (met machines) dat arbeiders nuchter in de fabriek moesten verschijnen, en alcohol een uitlaatklep werd voor de treurige levens van arbeidersgezinnen in bedompte eenkamerwoninkjes in de grote steden. De gevolgen van de verslaving waren in die steden ook goed zichtbaar, schrijft Blok, de ‘welgestelde burgerij woonde praktisch om de hoek van de snel groeiende achterstandsbuurten. Verwaarloosde kinderen zwierven rond, zieke of invalide daklozen zaten op de stoepen en sliepen in portieken.’

Waren die alcoholverslaafden ziek of waren ze zwak, daar ging de discussie in de 19de eeuw over. Moest de alcoholverslaafde naar de gevangenis, naar de psychiatrische inrichting of naar het ziekenhuis? Nergens hoorde hij thuis. De overheid bemoeide zich er nauwelijks mee. Wel kwamen er in 1881 drie ‘rijkswerkinrichtingen’ waar drankzuchtigen, landlopers en souteneurs heen werden gestuurd voor een heropvoeding onder een hard regime.

Uit protest daartegen ontstonden de eerste consultatiebureaus en behandelklinieken voor alcoholisten. Het waren privé-initiatieven. Hoog-Hullen bij Zuidlaren, dat nu nog steeds bestaat als verslavingskliniek, was een van de eerste in 1891. Het initiatief kwam van de sociaal-liberale Volksbond tegen Drankmisbruik. Die Volksbond richtte ook de eerste volkskoffiehuizen op, waar arbeiders een kop koffie of chocolademelk konden drinken. Met de bedoeling, schrijft Blok, ‘dat arbeiders in hun middagpauze de borrel lieten staan.’ Ondertussen maakten de in de 19de eeuw ontdekte verdovende middelen (opium, cocaïne, morfine, heroïne) hun opmars. Aanvankelijk onder intellectuelen, kunstenaars, welgestelden. Vooral morfine, latercocaïne en korte tijd ook heroïne, waren middelen die door de beginnende farmaceutische industrie als middeltjes tegen vele kwalen werden verkocht. Ze zaten in hoestdrankjes en kalmeringsmiddelen voor kinderen.

Jachtig leven

Tegen 1900 werd het ontstaan van morfineverslaving vooral gezien als een gevolg van het jachtige leven dat de mens, met zijn vele zorgen en plichten, moest leiden. Tram, trein en telegrafie deden hun intrede en leidden tot uitputting. De mentale druk was te veel voor het menselijke systeem. De Nederlandse hoogleraar psychiatrie Gerbrandus Jelgersma was het roerend eens met die analyse van vooral Amerikaanse artsen. Het onrustige, moderne bestaan in de grote stad leidde tot ‘neurasthenische bezwaren’. De welgestelde elite trok de stad uit en vestigde zich in boerendorpjes als Blaricum en Laren. In de eerste helft van de 20ste eeuw kwamen er, op Amerikaans initiatief waar de ‘war on drugs’ in 1918 begon, steeds strengere wetten tegen opiaten en andere drugs. Het merendeel van de harddrugsverslaafden was toen arts of verpleegkundige. Zij hadden toegang tot de morfinekast.

Het is pas na de softdrugrijke flowerpowertijd in de jaren zeventig en de afloop van de Vietnamoorlog dat harddrugs de westerse wereld overspoelen.

Blok schetst nauwkeurig hoe Nederland met haar tolerante softdrugsbeleid aan de heroïne-epidemie denkt te ontsnappen. Maar begin jaren tachtig is die toch een feit en in de grote steden ontspoort de situatie, vooral als de straatprijs in een paar jaar twaalfmaal zo hoog wordt. Heroïne kostte 25 gulden per gram in 1970 en 300 gulden in 1979. In Amsterdam steeg het aantal aangegeven auto-inbraken van ruim 4600 in 1973 naar bijna 33.000 in 1983. Het duurde tot eind jaren negentig voordat dat probleem met een harde juridische aanpak en een tolerant medisch systeem was opgelost.

Vrijwillig afkicken heeft bijna nooit succes, hoewel elke nieuwe methode weer enthousiast wordt ontvangen en er fantastische resultaten worden beloofd. Of die pendelbewegingen er nu wel of niet zijn, het falen van de genezing is een constante factor: in de eeuw verslavingszorg die Blok zo mooi beschrijft is genezen het ideaal van vrijwel iedere hulpverlener, maar het lukt bijna niemand om een alcohol- of drugsverslaafde voorgoed clean te krijgen.

    • Wim Köhler