Broeikasgas Europa meer dan gemeld

Europese landen blijken het soms niet zo nauw nemen met de registratie van broeikasgassen. Er wordt toch amper gecontroleerd.

Europese bedrijven stoten meer broeikasgassen uit dan ze rapporteren. Dat concludeert het gerenommeerde Zwitserse onderzoeksinstituut EMPA op basis van metingen van de concentratie trifluormethaan (HFC-23), een venijnig broeikasgas dat bijna 15.000 keer krachtiger is dan kooldioxide en ongeveer 270 jaar in de atmosfeer blijft voor het geheel is afgebroken.

Volgens het EMPA is de werkelijke uitstoot van HFC-23 ongeveer het dubbele van wat Europese landen melden. De grootste boosdoener is Italië waar de gemeten emissies tien tot twintig keer hoger zijn dan de gerapporteerde. Maar ook de emissiecijfers van Nederland vallen ongeveer de helft lager uit dan wat het EMPA heeft gevonden. Het is vooral het in Dordrecht gevestigde bedrijf Dupont, producent van onder andere teflon, dat HFC-23 uitstoot.

Stefan Reimann, onderzoeker van het EMPA, vindt het logisch dat bedrijven en overheden hun cijfers laag willen houden. Emissies moeten namelijk aan het klimaatbureau van de Verenigde Naties worden doorgegeven, die controleert of de landen zich houden aan hun verplichting om de uitstoot van broeikasgassen, die de aarde opwarmen, te verminderen. Landen met lage emissies hoeven geen dure maatregelen te nemen om de vereiste reducties te halen.

Het probleem is, legt Reimann in een telefoongesprek uit, dat de controle van de cijfers niet deugt. „Land A mag land B controleren. Maar als land A het zelf niet zo nauw neemt met zijn registratie, zal het niet gauw bereid zijn om land B hard aan te pakken.”

Het EMPA gebruikt voor het onderzoek een verfijnd meetstation op de Jungfraujoch in Zwitserland, 3.580 meter boven de zeespiegel, waar iedere twee uur de luchtsamenstelling wordt gemeten. Ze combineerden hun gegevens met die van een meetstation aan de Ierse westkust. „Telkens als we een piek aantroffen, werd op basis van de windrichting en windsnelheden bepaalt waar de stoffen vandaan kwamen.”

In het gebied dat door deze metingen wordt bestreken, zijn nog maar zes bedrijven die HFC-23 als restproduct in de atmosfeer lozen. Daardoor kon precies worden bepaald waar het gas vandaan kwam.

Willem Buitelaar, woordvoerder van Dupont, heeft geen verklaring voor de verschillen in de cijfers. Volgens hem is het echter een zaak tussen het EMPA en de Nederlandse overheid. „Wat wij doen is onze metingen doorgeven aan de overheid. Dat doen we op basis van een meetsysteem dat door de overheid is goedgekeurd. We houden ons daarbij aan alle vergunningen.”

Trifluormethaan ontstaat bij de productie van freon-22, dat Dupont gebruikt voor het maken van onder andere teflon. Volgens Buitelaar wordt de meeste HFC-23 door Dupont zelf verwerkt in een speciale verbrandingsoven, „een uniek apparaat, dat niet alleen voorkomt dat ongewenste gassen in de atmosfeer terecht komen, maar waarmee we ze kunnen verwerken tot nieuwe bruikbare grondstoffen.” Het is alleen technisch niet mogelijk om alle HFC-23 in die oven te verbranden, zegt Buitelaar.

Stefan Reimann zegt dat de studie van het EMPA, gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Geophysical Research Letters, niet bedoeld is om bedrijven aan de schandpaal te nagelen, maar om duidelijk te maken dat er nog veel schort aan de internationale controle van broeikasgassen. „We laten zien dat we met dit soort onafhankelijke metingen internationale akkoorden kunnen controleren. Dat is belangrijk als er een nieuw klimaatverdrag komt.”

    • Paul Luttikhuis