Ben ik het die zo kreunt?

Hij was ‘te goed voor deze wereld', en toch schreef Garsjin schitterende oorlogsverhalen.

Portrait of writer Vsevolod Mikhailovich Garshin by Ilja Repin. Oil on canvas. 88.9 × 69.2 cm. The Metropolitan Museum of Art, New York.

Vsevolod Garsjin: De beren en andere verhalen. Vertaald door Hans Boland. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 192 blz. € 19,95

Vsevolod Garsjin (1855-1888) was student mijnbouw toen in 1877 de tiende Russisch-Turkse oorlog uitbrak. Hoewel bepaald geen krijgszuchtig type, meldde hij zich als vrijwilliger. Zoals hij aan zijn moeder schreef: ‘Ik kan me onmogelijk achter de schoolmuren verstoppen nu mijn leeftijdgenoten hun hoofd en borst moeten blootstellen aan vijandelijk geweervuur.’

Nadat hij als infanterist een kogel in zijn bovenbeen had gekregen, schreef hij in het ziekenhuis het korte verhaal ‘Vier dagen’, waarmee hij in een tijdschrift debuteerde. Hij werd er meteen om bejubeld. Het gaat over een soldaat die bij gevechtshandelingen aan zijn been gewond is geraakt en hulpeloos op het slagveld achterblijft.

’s Nachts ziet hij de sterren aan de Bulgaarse hemel flonkeren, overdag schroeit de zon zijn gezicht. ‘Er dringt een vreemd geluid tot me door. Net of er iemand kreunt. Ja, dat moet het zijn, gekreun. Zou er hier ergens nog iemand liggen, iemand die net als ik is achtergelaten, met kapot geschoten benen of met een kogel in zijn buik? Nee, het gekreun komt van vlakbij. Maar ik zie niemand. Mijn god, ik ben het zelf! Een stil, klaaglijk gekreun. Heb ik dan zo’n ontzettende pijn? Dat moet wel.’

Wanneer hij ontdekt dat op vijf meter afstand de Turk ligt die hij zelf aan het begin van de slag met een bajonetsteek heeft gedood, sleept hij zich met zijn laatste krachten naar hem toe om zijn veldfles te bemachtigen. ‘Eindelijk ben ik er. Daar is de fles – met water, heel veel zelfs. Hij zit nog minstens halfvol. Voorlopig is er genoeg. Genoeg tot ik doodga.’ De prijs die hij voor het lessen van zijn dorst betaalt is dat hij van nabij moet toezien en ruiken hoe het lijk tot ontbinding overgaat. ‘Dit heb ik nooit gewild. Ik wenste niemand kwaad toen ik ging vechten. Het idee dat ik mensen zou moeten doden drong op de een of andere manier niet tot me door.’

Nachtmerrie

De soldaat wordt afwisselend gekweld door gewetenswroeging, de angst in handen van de Turken te vallen, de pijn aan zijn been, hitte, honger en dorst; en dan ook nog door herinneringen aan zijn voorbije geluk (‘Wat is het leven toch iets heerlijks’) en gedachten aan zijn geliefden: ‘God, laat ze de waarheid nooit te weten komen. Laat ze alsjeblieft denken dat ik op slag gesneuveld ben. Het zal een nachtmerrie voor ze zijn wanneer ze mochten horen dat ik twee, drie, vier dagen heb liggen lijden.’ Het is een schitterend verhaal.

De veldtocht tegen de Turken inspireerde Garsjin. De stofwolken die van de gloeiend hete steppe opstuiven snijden je de adem af wanneer je ‘Uit de herinneringen van soldaat Ivanov’ leest. In dit wat langere verhaal figureert een officier die gehaat wordt omdat hij de soldaten slaat – maar in de strijd blijkt hij een held, en daarna huilt hij om de mannen die hij verloren heeft. Ook magistraal is ‘Het sein’, over een revolutionair die een aanslag op een passagierstrein beraamt, maar deze op het laatste moment zelf verijdelt. ‘Breng me naar de politie, ik heb de rails vernield.’

Wat maakt deze verhalen zo goed? In de eerste plaats Garsjins vermogen beknopt en raak te formuleren. Enerzijds is zijn proza rijk aan betekenis, anderzijds vergt het geen bijzondere inspanning van de lezer – een aantrekkelijke combinatie. Maar dit vakmanschap is niet het belangrijkste. Wat vooral opvalt is de geesteshouding van de auteur, zijn neutraliteit, zijn gave zich van een oordeel te onthouden en de inherente dubbelzinnigheid van de wereld te tonen.

Dwangbuis

Niet alleen zijn personages vallen buiten de kaders van goed en kwaad, dit geldt ook voor de gebeurtenissen. In ‘De rode bloem’ wordt een krankzinnige in een dwangbuis gestopt en aan zijn bed vastgebonden. Je zou de manier waarop de bewakers hem behandelen wreed kunnen noemen, maar die doen het duidelijk ook niet voor hun plezier. En het lot dat de krankzinnige heeft getroffen is zonder meer verschrikkelijk, maar hij sterft wel in de waan dat hij al het kwaad in de wereld met wortel en tak heeft uitgerukt: ‘Ondanks zijn holle wangen, zijn dunne lippen en zijn ingevallen oogkassen zag hij er trots en gelukkig uit.’

Met ‘De rode bloem’ komen we bij de grote tragiek in Garsjins leven, niet de Russisch-Turkse oorlog, maar zijn bipolaire stoornis. Al op zijn zeventiende werd hij zelf in zo’n dwangbuis gehesen, en hij was pas drieëndertig toen hij met een sprong een einde aan zijn leven maakte. Op zijn tijdgenoten maakte hij de indruk buitengewoon zachtaardig te zijn – ‘niet van deze wereld’. De schilder Ilja Repin maakte een ontroerend portret van hem.

Hans Boland, die de verhalen in De beren selecteerde en in expressief Nederlands vertaalde, merkt op dat het schrijven voor Garsjin een moeizaam proces was. Heel verklaarbaar, als je bedenkt dat hij in zijn literaire werk exact het tegendeel deed van waartoe zijn manisch-depressieve aanleg hem had voorbestemd, namelijk de wereld met een zeldzaam objectieve blik bekijken.

    • Marco Kamphuis