Architect

In mijn omgang met de architect die de verbouwing van ons huis begeleidde, ontstond al snel een spraakverwarring. Toen ik klaagde dat ons huis opeens zo tochtte, want hij had in alle vertrekken luchtroosters aangebracht, zei hij plechtig: „Uw huis ademt! Het ademt. Eindelijk!” Het had te maken met het dauwpunt, legde hij uit. Het dauwpunt. Dagenlang heb ik op dat woord lopen kauwen. Dauwpunt.

Als ik iets een drempel noemde werd ik verbeterd. Dorpel was de naam. Maar zei ik de volgende dag dorpel dan was het toch weer een drempel. Deurpost moest deurkozijn heten. En vice versa.

Op de muur van onze wc was een groene schimmelige laag ontstaan. „Is dat vocht?” vroeg ik. Welnee, lachte hij, vocht! Ha! Maar er zou een expert bij gehaald worden. „Vocht” constateerde die. „Dus toch”, riep de architect, „zie je wel?”

Ook onze kelder had ernstig te lijden van vocht. Weer een expert. Een hele firma nog wel, die de wanden ging injecteren met een plastic schuim. Toen het klaar was stond de vloer met de plavuizen plotseling bol, alsof je bovenop de koepelkerk stond.

Dat had te maken met het grondwater, werd mij uitgelegd. „Uw kelder is een bootje.”

„Wat nu?” vroeg ik. „Tja...” De architect keek mij verwijtend aan, alsof hij wilde zeggen: „Mooie kelder heb jij. Kan niet eens tegen een injectie.”

Later, veel later, veranderde ik van aannemer en ik nam net die aannemer met wie de architect om de een of andere, mij duistere, reden niet wilde samenwerken. De architect had ik inmiddels betaald en ik had vriendelijk afscheid van hem genomen. De nieuwe aannemer ging aan de slag, hakte die bolle koepel uit en stortte een betonvloer, strak en recht, een genot om naar te kijken. Daarna nooit meer last gehad van vocht of wat dan ook.

Aannemers moet je hebben. En misschien een architect. Maar dan een goede.