Wedloop om banden met nieuw Libië

Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hopen op economische beloning voor hun steun aan de Libische opstand. Landen die tegen de NAVO-acties waren, maken de rebellen alsnog het hof.

Iedereen wil dezer dagen een ontmoeting, en als het even kan een cameramoment, met de nieuwe Libische leiders. De Franse president Sarkozy had gisteren de primeur: als eerste ontving hij Mahmoed Jebril, een van de leiders van de Nationale Overgangsraad, in Parijs nadat de rebellen Tripoli bereikten. Sarkozy noemde hem alvast „le premier ministre”.

Jebril doet vandaag Rome aan, voor een gesprek met premier Silvio Berlusconi, die hem maandag belde voor een uitnodiging. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu had zijn eigen primeur: hij was de eerste bewindsman uit een NAVO-land die Libië bezocht, na de val van Tripoli.

Achter de wedloop om de beste contacten met de Libische overgangsleiders gaan politieke, maar zeker ook economische belangen schuil. Toen Sarkozy het voortouw nam in de luchtacties tegen Gaddafi, waren zijn motieven vooral politiek van aard. De president wilde de kritiek op zijn aarzeling bij eerdere Arabische opstanden tot staan brengen. Maar in Italië wordt de Franse gretigheid om Libië te bombarderen ook opgevat als een poging Italiës positie als bevoorrechte handelspartner van de Libiërs over te nemen. Olie- en gasmaatschappij Total haalt 2,6 procent van zijn productie uit het Noord-Afrikaanse land en zou dat percentage graag willen verhogen.

Italië, de voormalige kolonisator van Libië, is de belangrijkste investeerder in het land. De Italianen betrekken een derde van hun olie uit Libië, onder meer via het Italiaanse Eni, de grootste buitenlandse olieproducent. Omgekeerd hebben Libische banken en de Libyan Investment Authority, een staatsfonds, aandelen in Italiaanse bedrijven als de bank Unicredit (7,5 procent), en voetbalclub Juventus (7 procent).

Om de grote zakenbelangen niet te schaden aarzelde Berlusconi – die ook nauw met Gaddafi samenwerkte om migratie in te dammen – om partij te kiezen in het Libische conflict. NAVO-vliegtuigen stegen weliswaar op uit Sicilië en minister van Buitenlandse Zaken Frattini knoopte banden aan met de rebellenleiding, maar Berlusconi bleef ambivalent: vorige maand zei hij dat hij de NAVO-acties eigenlijk niet had gewild.

Die weifelende houding, die Berlusconi nu probeert goed te maken, kan Italiaanse zakenbelangen nu schaden, vrezen Italiaanse kranten. Frankrijk kan „dividend” opstrijken in de vorm van een sterkere positie van Total ten koste van Eni, schrijft commentator Federico Rampini van La Repubblica. Frattini probeerde deze week de zorgen weg te nemen door te verklaren: „De Italiaanse contracten zijn met Libië, niet met Gaddafi.”

Ook Britse bedrijven, zoals oliegigant BP, kunnen profiteren van de actieve rol van premier Cameron in de strijd tegen Gaddafi, merken Britse kranten op. Maar de Daily Telegraph laat anonieme zakenlieden aan het woord die klagen dat de regering onvoldoende actief is in het smeden van economische banden met de Libische overgangsraad.

Duitsland, in Libië onder meer aanwezig met BASF-dochter Wintershall, stuurde vorige maand een grote handelsmissie naar Benghazi. De Duitsers namen niet deel aan de NAVO-bombardementen, maar zijn juist de laatste dagen druk doende met het aanbieden van steun bij de wederopbouw. Minister van Buitenlandse Zaken Westerwelle wil snel 100 miljoen euro uit bevroren Gaddafi-tegoeden overmaken aan de overgangsraad, zei hij deze week.

Turkije heeft enige tijd op twee paarden gewed. De angst dat investeringen in Libië ter waarde van 15 miljard euro niets waard zouden worden, weerhield de Turken er aanvankelijk van het NAVO-ingrijpen te steunen. Maar nu de kaarten opnieuw zijn geschud, willen de Turken de rebellen er wel aan herinneren dat ze een luchtmachtbasis beschikbaar hebben gesteld voor de bombardementen.

Er zijn aanwijzingen dat de nieuwe Libisch machthebbers vooral landen economisch willen ‘straffen’, die de NAVO het meest bekritiseerden. Abdeljalil Mayouf van de oliefirma AGOCO, die in handen is van de rebellen, zei deze week dat westerse landen niet veel hoeven te vrezen. „Maar we hebben misschien wel politieke problemen met landen als Rusland, China en Brazilië”.

China maakt zich zorgen over de 13,4 miljard euro aan investeringsprojecten, de toegang tot de Libische oliebronnen en de bijna 5 miljard euro aan wederzijdse handel. In het Libië van Gaddafi waren 75 staatsbedrijven (energie, infrastructuur, telecom) met 30.000 werknemers actief. Peking leverde kritiek op de NAVO, maar zocht ook al in een vroege fase van de strijd contact met leden van de Nationale Overgangsraad.

In Rusland wordt gevreesd dat een definitieve overwinning van de rebellen negatieve gevolgen zal hebben voor de Russische belangen in Libië. De energiebedrijven Gazpromneft en Tatneft zijn zeer actief in Libië. De Russische spoorwegen bouwen een hogesnelheidslijn in het land. Maar de nieuwe heersers in Libië zullen de voorkeur geven aan Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, denken analisten in Moskou.

Met medewerking van Mark Beunderman, Oscar Garschagen, Michel Krielaars, Dirk Vandenberghe en Bram Vermeulen.