Kleurbarrière is mensenwerk

Aan het begin van de vorige eeuw hielden wetenschappers vol dat rassenvermenging een ‘gevaarlijk experiment’ was. Hun argumenten werden later ontkracht door genetici.

Flipper (Wesley Snipes) en Angie (Annabella Sciorra) hebben in de Amerikaanse film Jungle Fever (1991) een controversiële interraciale relatie. Foto AFP Jungle Fever (1991) Pers: Wesley Snipes, Annabella Sciorra Dir: Spike Lee Ref: JUN023BS Photo Credit: [ Universal / The Kobal Collection ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement The Picture Desk

Dat Barack Obama president is, dankt hij aan zwarte én blanke stemmen. Kiezen voor een zwarte kandidaat, daar hebben steeds minder witte Amerikanen moeite mee. Maar trouwen met een zwarte, dat is voor de meesten een brug te ver. Zo’n interraciale verbintenis stuit ook in zwarte kring op weerstand. In de voorbije eeuw steeg het percentage Amerikanen dat buiten de eigen etnische groep huwde van 28 naar 70 procent. Toch trouwde rond 2000 maar 8 procent van de Afro-Amerikanen ‘uit’. De sociologen Michael Hout en Claude Fischer schrijven: „De voorspelling dat de Amerikaanse bevolking aan het einde van de twintigste eeuw uiteen zou vallen in ‘blank’ en ‘niet-blank’ is niet uitgekomen. Aan het begin van de 21ste eeuw tekent zich een tweedeling af tussen ‘zwart’ en ‘niet-zwart’.”

Dat de kleurbarrière nog steeds hoog is, heeft een reeks oorzaken: historische (het slavernijverleden), culturele, economische en psychologische. Een tijdlang droeg ook de wetenschap een steentje bij. Gisteren hield de Amerikaanse wetenschapshistoricus Paul Farber, verbonden aan Oregon State University, een voordracht in het Leidse Museum Boerhaave. Hij haalde herinneringen op aan de jaren zestig, het hoogtepunt van de beweging voor burgerrechten, toen de University of Pittsburg, zijn alma mater, gemengde studentenstellen wegstuurde. Maar hij liet ook zien hoe moderne evolutionaire inzichten hebben afgerekend met wetenschappelijk racisme.

Farber gaf zijn rede de titel ‘rassenvermenging’ mee. Dat zou een Europese collega niet gauw doen. In de Oude Wereld is het woord ‘ras’ na de Shoah uit het wetenschappelijke en politieke vocabulaire geschrapt, maar in de VS geldt het niet als politiek incorrect. Europese biologen wijzen op de geringe genetische verschillen tussen ‘wat vroeger rassen heetten’ en sociale wetenschappers noemen ras een ‘sociale constructie’. ‘Ras’ wordt in de VS overigens alleen gebruikt voor Afro-Amerikanen. Indianen heten nu ‘Inheemse Amerikanen’ en Aziaten en latino’s ‘etnische groepen’.

Aan het begin van de vorige eeuw, vertelde Farber, roerde zich in de VS een ‘eugenetische’ beweging die wilde verhinderen dat ‘inferieure’ individuen zich voortplantten, immigratie uit niet-Angelsaksische landen wilde beperken en zo ‘verzwakking van het Amerikaanse ras’ tegengaan. De beweging was ook tegen verbintenissen tussen blank en zwart, maar die waren al in veel staten verboden. Deze mensen gingen af op de genetica van toen – fysieke en mentale eigenschappen waren erfelijk – en op een antropologische rangschikking van ‘rassen’ naar ‘gebleken bekwaamheden’. Bewijs was er niet, maar de heersende wetenschappelijke opinie was dat rassenvermenging een ‘gevaarlijk experiment’ was.

In de jaren dertig kwam er een omslag. Farber: „De antropoloog Franz Boas liet zien hoe groot de invloed van cultuur en milieu was op wat destijds als ‘raskenmerken’ golden. Antropologen zijn sindsdien van mening gebleven dat het begrip ‘ras’ geen biologische betekenis heeft. Biologen zijn het daar in zoverre mee eens dat alledaagse raciale categorieën – blank, zwart, Aziatisch – hopeloos breed zijn en dat er meer variatie binnen dan tussen hen bestaat. Maar zij verwerpen het begrip niet helemaal. Zij beroepen zich op de geneticus Theodosius Dobzhansky.”

Dobzhansky deed jarenlang onderzoek aan Drosophila pseudoobscura, een vlieg in het zuidwesten van de VS. Hij ontdekte genetische verschillen tussen verschillende populaties en formuleerde op grond daarvan het biologische soortbegrip. Een soort, zei hij, onderscheidt zich van andere soorten door daarbij geen nageslacht te verwekken en bestaat uit verschillende, onderling parende populaties. Dat zijn onderafdelingen van een soort die verschillen in de frequentie en volgorde van bepaalde genen als gevolg van een geografisch isolement in het verleden. Populaties, zei Dobzhansky, zijn open systemen, soorten gesloten systemen.

Farber: „Dobzhansky paste dit inzicht toe op mensen en verwierp het populaire rassenbegrip. Hij dacht dat menselijke populaties in de loop van de geschiedenis wel zoveel geografisch isolement hadden ervaren dat er uiteenlopende genenfrequenties ontstonden. Maar er had altijd uitwisseling van genen plaatsgevonden met andere populaties en daardoor bleven ze één soort, Homo sapiens. Omdat genen onafhankelijk van elkaar kunnen variëren, kun je mensen classificeren aan de hand van één bepaald gen (of expressie daarvan). Maar huidskleur correleert niet sterk met bloedgroep of haartype, en zo bezien zijn alle rassenclassificaties arbitrair.”

En hoe zit het dan met de gevreesde ‘disharmonie’ bij rasvermenging? Farber: „Afgaande op Dobzhansky’s genetica kunnen we dit zeggen. 1. Populaties hebben altijd genen uitgewisseld met andere populaties, anders waren het nieuwe soorten geworden. 2. Alle rassen die we nu onderscheiden zijn het product van vermenging in het verleden. 3. Daarom zijn er geen ‘zuivere’ rassen.”

Toch, zei Farber, kunnen we wel degelijk verschillende menselijke populaties onderscheiden. Maar er is geen biologische reden om interraciale huwelijken als ‘riskant’ te beschouwen. Die kleurbarrière, erkent Farber, is wel degelijk een sociale constructie.