Hoe Molière Nederland herovert

De luchtige komedies van de zeventiende- eeuwse Franse toneelschrijver Molière zijn in Nederland ineens populair. Achter zijn kluchten schuilt scherpe maatschappijkritiek. „Toneel was het leven voor hem, een noodzaak.”

Een van de vier Molières op Nederlands toneel: Peter Blok en Georgina Verbaan in 'De Ingebeelde Ziekte' bij De Utrechtse Spelen. Foto Leo van Velzen Utrecht, 17-08-2011. Beeld uit de voorstelling (reprise) "De Ingebeelde Zieke" van Moliere bij "De Utrechtese Spelen", regie Jos Thie. Foto Leo van Velzen.

Vaak is het een kluchtige bedoening, met verkleedpartijen, verstoppertje, persoonsverwisselingen, en brieven voor de een bedoeld maar onfortuinlijk door een ander gelezen – met verwarring, misverstand en algehele puinhoop tot gevolg.

Het werk van de Franse toneelschrijver Molière (Jean-Baptiste Poquelin, 1622-1673) gaat over mispunten en oplichters, liegbeesten en huichelaars. Velen doen zich anders voor, en de ontmaskering, in welke vorm dan ook, speelt een belangrijke rol, soms op het onwaarschijnlijke af.

In een onverwacht subplotje in De Vrek (1668) bijvoorbeeld, blijken na een schipbreuk doodgewaande gezinsleden onder een andere identiteit toevallig allemaal in hetzelfde stadje te leven, zonder dat van elkaar te weten. Aan het slot maken ze zich aan elkaar bekend: ‘Maar... ik ben je broer!’ ‘En ik, ik ben jullie vader!’ Toevallig is die vader ook heel rijk en aardig, en zo zijn in één klap alle problemen opgelost. Het is een scriptwending die je zelfs in een soap niet zou accepteren.

„Dat is altijd zo bij Molière”, zegt regisseur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam. „Hij is niet zo sterk in de afwikkeling. Op het eind gaat hij holderdebolder doen.”

Van Hove twijfelt nog of hij de scène zal gebruiken. Maar vaststaat dat hij De Vrek zal regisseren, première 25 september, als opening van het seizoen. Het is opmerkelijk dat Van Hove, doorgaans het sterkst in tragedies, zich aan een komedie van Molière waagt – en dan ook nog niet diens beste.

Nog opvallender is het dat hij niet de enige is. Dook er het afgelopen decennium slechts af en toe ergens een Molière op, en maar zelden bij één van de acht grote gezelschappen, dit seizoen zijn er van zijn werken maar liefst vier bij de grote gezelschappen te zien. Toneelgroep Oostpool komt met De Misantroop (1666), Molières bekendste, in een regie van Erik Whien. Van De Utrechtse Spelen beleeft Jos Thies succesvoorstelling De Ingebeelde Zieke (1673) op dit moment een reprise. En naast Van Hove brengt ook gastregisseur Dimiter Gotscheff bij Toneelgroep Amsterdam een Molière,Tartuffe (1664), in het voorjaar van 2012.

Vanwaar die plotselinge populariteit? Vragen deze moeilijke tijden soms om vrolijker toneel? Blijkt Molières maatschappijkritiek 350 jaar later opeens weer actueel? Of wil Van Hove met De Vrek, over een gierigaard verliefd op zijn geldkist, iets zeggen over de kredietcrisis? De vraag dringt zich op hoe deze regisseurs dit zeventiende-eeuwse, van-dik-hout-zaagt-men-plankentoneel een interessante, eigentijdse relevantie zullen geven. Het is misschien de malle vorm, maar bij het lezen doet Molière mij gedateerder aan dan, zeg, Euripides.

Laurens Spoor, die twee keer De Misantroop vertaalde en van wie de onberijmde vertaling straks door Oostpool wordt gebruikt, is het daar niet mee eens. Volgens hem is Molières werk universeel en tijdloos. „Dat heeft twee redenen. Eén: Molière was een geweldig toneelschrijver. Zijn taal was echt heel goed; de taal van de praktijk. Hij was een theaterdier pur sang; schreef, regisseerde en acteerde zelf en leidde een eigen theater. Daarbij zijn zijn teksten met puur bloed geschreven. Ja, het zijn komedies, maar komedies die pijn doen, omdat er een leven vol pijn achter zit. Hem zijn verschillende rampen overkomen: hij werd bedrogen in de liefde, verloor een kind, belandde in de gevangenis; hij is echt door alle zeeën gewassen. Dat voel je in zijn teksten. Toneel was het leven voor hem, een noodzaak. Dat maakt hem als schrijver onontkoombaar. Onder het onschuldig vernis van de klucht had hij bovendien altijd scherpe maatschappijkritiek.”

In De Ingebeelde Zieke hekelt Molière inderdaad weinig subtiel de machtspositie van de medische stand in zijn tijd, en ridiculiseert diegenen die zich daaraan uitleveren. De Vrek is een niet mis te verstane kritiek op blinde hebzucht en materialisme. In Tartuffe neemt hij de geestelijkheid op de hak en de goedgelovigen die daar blind achteraanlopen. En De Misantroop bekritiseert de hypocrisie en het stroopsmeren van de wannabees aan het hof van koning Lodewijk XIV. Voor de lezer nu lijken het wellicht onschuldige speldenprikjes, maar destijds was het heel gewaagd – zijn maatschappijvisie bracht de schrijver herhaaldelijk in de problemen.

„Bovendien”, vervolgt Spoor, „was hij een heel goede psycholoog. Zijn personages zijn weliswaar hyperbolen, karikaturen, maar bij hem zijn ze nooit eendimensionaal. Ze hebben altijd een innerlijk conflict. Harpagon, de vrek, is natuurlijk een vreselijke vent, maar je voelt dat hij daar zelf ook last van heeft. Hij worstelt met zijn karakter, hij lijdt eronder; je voelt dat hij iets anders had willen zijn. Bij De Misantroop is die worsteling nog explicieter. Daarin wordt Alceste, een man met een sterk verheven moraal, precies verliefd op de vrouw die alle eigenschappen bezit die hij verafschuwt: eentje die flirt, liegt, slijmt, roddelt en bedriegt. Die tegenstrijdigheden in het bestaan, daarin kan iedereen zich herkennen.”

Dikke mannen in lingerie, de zieke die zijn kale hoofd met de eigen urine besprenkelt, een rectale spoeling met een tankpistool; bij De Ingebeelde Zieke van Jos Thie is het even zoeken naar de psychologie. Thie regisseerde deze klucht over de hypochonder Argand die verslaafd is aan de medische wetenschap, in de beste Nederlandse slapsticktraditie, met een hoofdrol voor een schmierende Loes Luca en Mini en Maxi als quasikomische sidekicks. Vette onderbroekenlol is het; geen voorstelling voor de fijnbesnaarden. En dat is welbewust, zegt Thie. „Ik heb geprobeerd de essentie van de opvoeringstraditie van Molière te vertalen naar een Nederlands komisch equivalent.”

Thie baseert zijn voorstellingen altijd op grondige research naar de bronnen, en voert het stuk grotendeels op zoals het in Molières tijd werd gespeeld: zijn acteurs dragen uitbundige kostuums en zijn getooid met torenhoge pruiken; Thie gebruikt de oorspronkelijke muziek en voegde diverse verloren gewaande entr’actes met zang en dans toe. „Molière slechtte de grenzen tussen theaterdisciplines, en dat wil ik ook. Zijn theatervorm is in die zin heel modern. Eigenlijk maakte hij toen al een musical.” Zijn doel was simpelweg het publiek vermaken en de mensen eens even lekker laten lachen, om hun eigen fouten en die van anderen, meent Thie. In zijn enscenering volgt hij die opzet.

Met succes: ook bij deze reprise zitten de zalen vol. „Het is amusement, en het kan volgens mij in deze tijd geen kwaad om de amuserende kracht van het theater in te zetten. Het publiek geeft mij daarin gelijk.” Thie beseft maar al te goed dat De Ingebeelde Zieke een nogal grof en banaal stuk is; hij moet er zelf om gniffelen. „Ik heb geen seconde overwogen dat in te perken; het hoort erbij. Dit stuk gáát over lichamelijkheid en fysiek verval, het gaat over winderigheid en darmspoelingen, en hoe dokters daar in het Latijn heel gewichtig over doen. Ik heb eenvoudig de geest van Molière gevolgd. In zijn regieaanwijzingen staat het soms letterlijk: ‘Argand verlaat scheten latend het toneel.”

Hoe anders zal Erik Whiens Misantroop bij Toneelgroep Oostpool zijn. Sowieso valt volgens Whien dat kluchtig-platte in De Misantroop erg mee. Hij heeft de Molière van Thie nog niet gezien, maar voor zichzelf weet hij heel zeker: „Het moet geen museumstuk worden. Daar zal ik in aankleding en decor voor waken. Ik probeer me voor te stellen in wat voor circuit De Misantroop zich had afgespeeld als Molière het nu had geschreven. Wat zou het hedendaagse equivalent van zijn vondsten zijn? Die vind je niet door Versailles op toneel na te bouwen.”

Maar dan nog. De Misantroop gaat over een groepje hovelingen rond Lodewijk XIV. Hoofdpersoon Alceste krijgt er een rechtszaak aan zijn broek omdat hij kritisch is over een gedicht van een kennis. Het meisje op wie hij verliefd is, Célimène, heeft nog drie andere aanbidders die haar allen dagelijks bezoeken om haar het hof te maken. Door haar vriendin Arsinoé wordt ze op de vingers getikt wegens onfatsoenlijk gedrag. Hoe wil de regisseur die thema’s naar onze tijd transponeren? Whien: „Het is eigenlijk verbijsterend hoe eigentijds de essentie van dit stuk is. Het gaat over een elite – te jong, te mooi, te rijk – die moreel afglijdt. Dus ik hoef het niet nog nadrukkelijker naar het nu te halen, door het te laten spelen in een hippe bar ofzo. Daarmee maak je de thematiek te specifiek, te smal. Het gaat over de mens, over de ziel van de mens, en hoe makkelijk die kan corrumperen.”

Whien was niet van plan Molière te regisseren. „Ik wilde Leonce en Lena van Georg Büchner doen, maar kon me niet verbinden met het inktzwarte wereldbeeld dat daarin wordt gecommuniceerd. Toen kwam ik bij De Misantroop uit. Molière schetst een vergelijkbaar rotte maatschappij, maar heeft een hoofdpersoon, Alceste, die zich daar van de eerste tot de laatste bladzijde tegen verzet. Hij is in die zin het weerwoord op dat wereldbeeld, eigenlijk het tegendeel van een mensenhater – hij haat niet de mens, maar verzet zich tegen diens fouten. Die boodschap, daar kan mijn publiek zich aan laven.”

Met die ambitie sluit Whien nauw aan bij Molière: zijn komedies waren bedoeld ter verbetering van de zeden. Molière zag een belangrijke morele taak voor het theater: het publiek moest leren van zijn blunderende personages. Tegenwoordig achten veel theatermakers dat aanmatigend, zij vrezen het ‘geheven vingertje’, en houden hun publiek hoogstens ‘een spiegel voor’. Zo niet Whien. „Theater is een debat, een pamflet. Ja, ik wil mijn publiek verheffen, door het iets te laten zien van zichzelf en de tijd. In die herkenning, hoop ik, zit de humor, en ook de ontroering.”

De humor van Molière – Ivo van Hove zal er zijn eigen, ernstige draai aan geven. Van de drie – Dimiter Gotscheff was niet bereikbaar voor zijn visie – benadert Van Hove Molière op de meest eigentijdse manier, en beziet diens thematiek het zwaarmoedigst. „Natuurlijk, De Vrek is een komedie, maar dat moet je niet benadrukken. Ik zal het zeker niet als komedie regisseren”, belooft hij. Het platte van Molière schuilt volgens Van Hove in de Franse, ‘Louis de Funès-achtige’ opvoeringstraditie, niet zo zeer in de tekst. „Bij mij zul je daar niets van merken.”

Anders dan Jos Thie verdiept Van Hove zich niet in secundaire bronnen of de biografie van de auteur; „dat doe ik eigenlijk nooit”. Het stelt hem in staat een radicaal eigen, actuele interpretatie van een tekst te vormen. Zo ook hier. Van Hove haalt de handeling nadrukkelijk naar het nu. Het huis van Harpagon, waar het stuk zich afspeelt, is bij hem een superdeluxe, ultramodern appartement, „zo eentje als van de New Yorkse superrijken, met veertig kamers”. Harpagons fortuin is virtueel; hij zit voortdurend met zijn neus in de beurskoersen. „Hij zal niet met zijn centjes in een sok rondlopen.”

Van Hove noemt Harpagon, de vrek, een „ouderwetse bedrijfsleider”, een man van de oude stempel. „Hij spaart en wil zijn geld laten vermeerderen, om zijn kinderen, Elise en Cléanthe, het goed te laten hebben – láter. Hij leeft nog in een wereld van lange termijnen en loyaliteiten. Van zijn bedienden verwacht hij levenslange trouw, van zijn kinderen eer en respect. Maar zijn kinderen zijn helemaal niet met die normen en waarden opgevoed, het zegt hun niets. Zij behoren tot een nieuwe generatie, eentje van de korte termijn, die zijn geld nú willen hebben, want nu hebben ze er iets aan.”

In de kinderen herkent Van Hove de samenleving van vandaag, waarin alle relaties en loyaliteiten kortstondig zijn. „Onze maatschappij is kortetermijngericht. Mijn vader werd apotheker, en wist dat hij dat zijn hele leven zou zijn. Nu heeft niemand meer een job voor het leven. Je wordt voortdurend bekeken en beoordeeld, je moet presteren en evolueren. Die onzekerheid beïnvloedt mensen verregaand, ook emotioneel. Kijk naar het huwelijk; vroeger was dat een levenslange verbintenis, nu duurt het gemiddeld minder dan zeven jaar.”

Lijkt De Vrek bij eerste lezing een luchtig niemendalletje over een gierigaard die een kist goud in de tuin begraaft, bij Van Hove wordt het een analyse van het hedendaagse kapitalisme. De kredietcrisis speelt alleen op de achtergrond, zegt hij. „Geld is nu een belangrijk thema, en een onzeker element. Het hebben ervan, en het mogelijke verlies, maakt mensen angstig en wantrouwend, dat voel je in dit stuk.”

Een eyeopener voor Van Hove was dat de kinderen eigenlijk slechter zijn dan de vrekkige vader. „De kinderen zijn de opportunisten. Vooral Cléanthe is een ware materialist, een fashion victim; hij begeert alleen de rijkdom van zijn vader om er dure kleren van te kopen. Natuurlijk, Harpagon is geobsedeerd door zijn geld, maar wel om het later aan zijn kinderen te kunnen geven. Dat motief, en die obsessie, geven hem ook iets ontroerends.”

Het onvermogen van de vader om zijn kinderen te volgen in de snel veranderende tijd maakt het stuk bij Van Hove tot een existentieel drama. „Het begint luchtig, en graaft dan steeds dieper en dieper, tot blijkt: dit is een echt probleem, en het is niet op te lossen.” Achter wat een klein, lollig verhaaltje leek, gaat een wereld van gedachten schuil – in de visie van Van Hove althans. „Kijk, dit stuk gaat over één ding: gierigheid. Molière legt dat thema onder een vergrootglas en ontleedt het, op het minimalistische af. Die karigheid, die doelgerichtheid – dat is toch meesterschap.”

    • Herien Wensink