Het geheim van de vliegende pinguïn

Sierlijk door de lucht scherende pinguïns? Ze bestaan, ook al staan ze in de boeken als niet-vliegers. Hun geheim is nu uitgelekt: handig gebruik van veren.

Om aan roofdieren te ontsnappen of op hoge ijsschotsen te komen, kiezen keizerspinguïns onbevreesd het Antarctische luchtruim. Ze doen dat door – zoals vogels past – hun veren te gebruiken.

Pinguïns kunnen door de lucht scheren door eerst juist dieper te duiken. Dat doen ze niet alleen om vaart te maken om vervolgens als een gerichte torpedo omhoog te schieten. Maar vooral om de lucht onder hun veren onder de hogere druk in dieper water samen te persen.

Die veren houden ze dan strak tegen het lijf – en de langzaam ontsnappende lucht vormt een perfecte bellenbaan rond het pinguïnlijf. Een dynamisch bubbelbad. Als een spoor van een straaljager hangt het nog wat rond terwijl de vogel al veel verder is. Door de bellen kan de pinguïn zich nog veel sneller voortstuwen en omhoog schieten – ook in de lucht bóven water. Om na een prachtig vloeiende vlucht wat geïmproviseerd en bij benadering een buiklanding te maken.

Scheepsbouwers en torpedo-ontwerpers vonden het pas veel later uit: luchtbellen werken als een glijmiddel onder water. Er is trouwens een tweede handige toepassing voor de vogels. Net als dolfijnen mogen pinguïns op langere zwemtrajecten graag steeds weer uit het water springen om door de vrije lucht te zweven. Het lijkt erop dat ze na het weer neerplonzen dezelfde truc gebruiken: onder de veren gevangen lucht laten ze met steeds strakkere veren met beleid los – voor een bellentunnel waar een dolfijn alleen maar jaloers naar kan kijken. Veren, geen vogel wil zonder. Je kunt er gesmeerd mee zwemmen. Vooral ook dankzij vleugels, die bij pinguïns soms wat vogelonwaardig overkomen. Die zijn voorwaarde voor een nuttige bellenbaan.

Zeehonden en -leeuwen zouden hun vacht eigenlijk ook actief in kunnen zetten voor een bellenspoor. Maar zij hebben achterlijfaandrijving, en zouden dan vrij doelloos in luchtbellen trappelen, zonder afzetvermogen. Pinguïns hebben voorlijfaandrijving, hun peddelende vleugels steken keurig voor het bellenspoor opzij, in solide water.

De beruchte Happy Feet heeft er een hoop huiswerk bij. Die jonge verdwaalde keizerspinguïn die op 20 juni in Nieuw-Zeeland werd opgevangen en van een eigenaardige hobby werd afgeholpen – het eten van zand – mag naar huis. Hij is weer helemaal gezond en kilo’s aangekomen. Tegen hoge kosten wordt hij komende maandag naar Antarctica gebracht, misschien met Nieuw-Zeelandse ziektekiemen en al. Hij heeft veel in te halen, de diagrammen van de onderzoeker met de vereisten voor een werkzaam bellenspoor (Marine Ecology 430) zijn niet mis.