Er is in vijftig jaar iets veranderd

Traditioneel is een munt een van de instrumenten van een staat. Als er één Europese munt komt, dan behoort zij dus het instrument van een Europese staat te zijn. Zolang die er nog niet is, blijft die Europese munt als ’t ware in de lucht zweven. Merkel en Sarkozy hebben nu vorige week voorstellen gedaan om te komen tot een begrotingsunie, die de munt althans een politieke basis zou geven.

Maar in een democratisch bestel heeft een politiek gezag een verantwoordingsplicht jegens de kiezers. Aan welke democratisch verkozen organen zou de begrotingsunie verantwoordingsplichtig zijn? Welk orgaan zou Herman Van Rompuy, wie het voorzitterschap van zo’n unie is toegedacht, eventueel naar huis kunnen sturen? Of is hij gedoemd zo’n fantoombestaan te leiden als lady Ashton, die geacht wordt leiding te geven aan het buitenlandse beleid van de Europese Unie?

Het is nog volstrekt onzeker of vorige week een stap in de richting van een grotere eenheid van Europa, of zelfs van de eurozone, is gezet. Maar wel is het uur van de waarheid dichterbij gekomen: is een echte Europese eenheid – van een Europa dat zowel politiek als economisch slagvaardig is – te bereiken in een normaal democratisch proces?

Enkele decennia lang is dit geen probleem geweest. De gedachte van een verenigd Europa was in Nederland nauwelijks betwist (anders dan in Frankrijk, dat al in 1954 een plan voor een Europese defensiegemeenschap de nek omdraaide). Op z’n hoogst werd er hier getwist over de vraag of de Europese dan wel de Atlantische eenheid voorrang moest krijgen, maar na het einde van de Koude Oorlog was die vraag niet relevant meer. Dat Europa één moest worden was op zichzelf geen twistpunt.

Daarom hoefden de bouwers van ‘Europa’ zich nauwelijks bezig te houden met het draagvlak bij het publiek. Eén van die bouwers, Edmund Wellenstein, zegt in Elsevier (6 augustus): „Wij vonden het – arrogant misschien – vanzelfsprekend. Het was toch een goede zaak landen bijeen te brengen die twee wereldoorlogen lang tegen elkaar hadden gevochten? Dat is toch goed, dat hoef je toch niet te verdedigen?”

Maar intussen is er iets veranderd in dat draagvlak. Er kwam een generatie aan bod die minder door de oorlog getekend was dan die van Wellenstein en leeftijdgenoten, minder gezagsgetrouw en volgzaam ook. Zo kwam ook ‘Europa’ onder kritiek te staan. In de PvdA nam Nieuw Links het roer over, en dat was nauwelijks emotioneel verbonden aan ‘Europa’. Die geleidelijke verwijdering van het oorspronkelijke ideaal culmineerde in het nee tegen een Europese Grondwet in 2005 – een nee waarvan de huidige PvdA-zegsman Plasterk een groot propagandist was.

Intussen is het wel duidelijk geworden dat ‘Europa’ niet langs technocratische weg bereikt kan worden, ook niet uitsluitend met steun van politici en sociale partners, waarop Jean Monnet (enkele jaren Wellensteins baas) zich concentreerde. En wanneer Marc Chavannes in de weekendkrant van 20 augustus zegt dat Rutte „zal moeten uitgroeien tot een erfopvolger van mensen als Beyen, Mansholt, Kohnstamm en Wellenstein”, lijkt hij te vergeten dat de politieke carrière van deze vier erflaters, wier verdiensten groot waren, nooit afhankelijk is geweest van de volksgunst (zelfs Mansholt, de enige politicus in dit gezelschap, was al een jaar minister vóór de eerste naoorlogse verkiezingen, van 1946).

Nu heeft de democratie de zaak in de hand genomen. Dat wil zeggen dat ‘Europa’ afhankelijker is geworden van de grillen van de kiezer, die niet meer die is van 1950 of 1960. Ook Merkel en Sarkozy maken zich daarvan afhankelijk, door hun merkwaardige voorstel dat elk euroland het beginsel van begrotingsdiscipline in zijn Grondwet opneemt. Dat zou in Nederland een Grondwetswijziging vergen, dus verkiezingen en een meerderheid van tweederde. Het risico van het nee van 2005 zou zich dan herhalen. Een tweede nee zou dan betekenen dat ‘Europa’ door de democratie om zeep zou zijn gebracht.

Dit voorstel is nog om een andere reden merkwaardig. De bedoeling ervan is de markten te tonen dat het de landen van de eurozone ernst is met hun begrotingsdiscipline, maar markten beoordelen landen toch niet naar een of ander artikel in hun Grondwet, maar naar hun prestaties? (Overigens is het de vraag of zo’n artikel überhaupt in een Grondwet thuishoort.)

Vijftig jaar geleden kon minister Luns met zijn nee tegen een Frans plan voor een politieke unie, dat de steun van Duitsland had, bereiken dat dit plan faalde. Nu echter kan Nederland zich alleen ten koste van eigen welvaart een andere koers veroorloven dan de landen waarvan het financieel-economisch afhankelijk is (Duitsland in de eerste plaats). Maar of genoeg kiezers die koers ook willen volgen, blijft in een democratie onzeker.

Daarom is het heimwee naar de technocraten als beslissers soms onmiskenbaar. Toen twee weken geleden de centralebankiers Trichet en Bernanke ingrepen waar de politiek het liet afweten, steeg er een zucht van verlichting op. Dat heimwee is ook bij minister De Jager (Financiën, CDA) te bespeuren. In een interview met Der Spiegel van deze week zegt hij te dromen van een „zelfstandig, onafhankelijk instituut dat de (euro)landen tot de orde roept en boetes oplegt”. Wie moet in dit college beslissen? „Wetenschapsmensen, deskundigen – als het maar geen politici zijn.” De nood moet wel heel hoog zijn gestegen voordat een democratie die macht uit handen geeft.

    • J.L. Heldring