'Eerst proces, dan knopen we ze op'

Rebellen uit de Nafusabergen ontdekken als burgerwacht in Tripoli hoe Gaddafi de stad onder de duim hield. Arme Libiërs kregen wapens en geld, in de wijk Al Daharra.

Een echt overwinningsfeest heeft Tripoli nog niet gehad. Daarvoor is het nog te gevaarlijk in de Libische hoofdstad. Maar de mannen van de burgerwacht van Al Daharra, een wijk in het centrum bij de Middellandse Zee, hebben al iets om straks aan de kinderen te vertellen.

De 35-jarige Imad Shabaan, voorheen manager bij een oliebedrijf, draagt een witte broek, een blauw T-shirt met ‘California’ en een kalasjnikov. De kalasjnikov is hij zelf gaan halen in een kantoorgebouw in de buurt, pal naast de gesloten Nederlandse ambassade, waar tot een paar dagen geleden Gaddafi’s ‘Havikbrigade’ zijn hoofdkwartier had.

„Toen de rebellen de stad inkwamen, sloegen ze daar allemaal op de vlucht”, zegt Imad. „We hebben er vijf te grazen genomen: twee Algerijnen en drie Touaregs.”

Als burgerwacht van Al Daharra ontdekken de rebellen – zelf komen ze uit de westelijke Nafusabergen – dezer dagen hoe het leven voor hun landgenoten in Tripoli was, in de laatste maanden onder Gaddafi. In het kantoorgebouw vonden de mannen behalve wapens ook documenten die inzicht geven in de manier waarop het regime van Gaddafi de bevolking van Tripoli onder de duim wist te houden. Er liggen stapels registratiebewijzen van „gewapende burgers” die zich hebben gemeld voor de Havikbrigade, compleet met de wapens en het aantal kogels dat ze hebben gekregen.

In het anti-Gaddafi-kamp heette het dat aan de andere kant alleen Afrikaanse huurlingen meevochten, maar dit zijn bijna zonder uitzondering autochtone Libiërs. Er is een vrouw met hoofddoek bij; zij heeft volgens het formulier een 9mm-pistool gekregen. „Dit zijn arme mensen,” zegt Ahmed Ferhat (51), de sjeik van de plaatselijke moskee en nu hoofd van de burgerwacht, terwijl zijn mannen het kantoor doorzoeken op meer Gaddafi-geheimen. „Ze kregen 100 dinar (zo’n 80 euro) per dag om voor het regime te vechten.”

Bewijzen dat de mannen en vrouwen van de Havikbrigade werden betaald zijn er niet. Wel zijn er verslagen van telefoontaps, brieven aan de telefoonmaatschappij om gratis sim-kaarten ter beschikking te stellen van de militieleden, en uitgeprinte foto’s van beveiligingscamera’s. Op foto’s van betogingen op het Groene Plein in het begin van de opstand, zijn met de hand namen en bijnamen van de op te sporen „verraders” geschreven. „Veel van die mensen zijn achteraf in de gevangenis beland”, zegt Imad, „maar woensdag hebben we al zeshonderd gevangenen bevrijd uit de Abu Slim-gevangenis.”

Wat moet er met Gaddafi en zijn aanhangers gebeuren? „Als we ze vinden dragen we ze over aan de militaire raad. Dan kunnen ze een eerlijk proces krijgen,” zegt Shabaan zonder veel overtuiging.

Sjeik Ferhat ziet Gaddafi toch liever opgeknoopt worden, op het Groene Plein als het even kan. „Dat moet je niet zeggen”, komt Shabaan tussenbeide, „we moeten zeggen dat ook Gaddafi een eerlijk proces verdient.” De sjeik geeft schoorvoetend toe. „Goed, eerst krijgt hij een eerlijk proces, dán knopen ze hem op op het Groene Plein.”

Maar eerst moet Gaddafi gevonden worden. Het gerucht doet de ronde dat hij zich heeft verschanst op een boerderij nabij de luchthaven. Daar, en elders in de stad, werd woensdag nog fel gevochten.

Mannen als Shabaan bemannen overal checkpoints, terwijl de rebellen de hoofdassen bewaken. Op sommige wegen is er om de honderd meter zo’n checkpoint en de controle door de rebellen is zeer grondig. Het gevaar is nog niet helemaal geweken: het zou niet voor het eerst zijn dat Gaddafi’s troepen zich terugtrekken om dan keihard terug te slaan.

Maar de mannen in Al Daharra twijfelen niet dat dit het definitieve einde is van het Gaddafi-tijdperk. Ze vinden het geweldig dat het Tripoli-offensief is ingezet op Ramadan 20, de dag waarop de profeet Mohammed Mekka veroverde.

Britse commando’s jagen mee op Gaddafi: pagina 10-11