Blad vol geiten voor bon vivant

Sabor wil de levensgenieter op een intelligente manier aanspreken. Met alles wat u nog niet wist over de geit, een soepterrine in de vorm van een porseleinen gans en ‘goede’ foie gras.

Nederlanders eten geen geit. En dat is jammer, vindt Sabor. U kent dat blad waarschijnlijk niet. Het is nieuw, de eerste editie (zomer/herfst 2011) ligt nu in de winkel.

De geit dus. Nederland (met de rest van West-Europa) is een buitenbeentje als het om geitenvlees gaat, schrijft Sabor. Daarom twintig pagina’s („Overweeg geitenvlees”) over het dier: vlees dus, maar ook kaas, „fluweelzachte geitenyoghurt” en een reportage bij een geitenboer. Met mooie foto’s: zwart-wit van de geitenstal en prachtige in kleur van gebraden geitenbout.

Onder de noemer „ken uw geitenvlees” zien we een rollade, braadstuk, onderachterpoot, zadel. Allemaal rauw, dus lekker bloeddoorlopen rood, alsof je bij de slager bent.

Voor wie deze vleesfoto’s te heftig zijn, is er ook een lekkermakende foto van twaalf geitenkaasjes. Met cathare uit de Languedoc, Lady’s Blue uit Drenthe en Capriola van de familie Wanders uit Brabant.

Sabor (Spaans voor ‘smaak’) noemt zichzelf een „culinair magazine voor bon vivants”. In het blad (160 pagina’s) staan veel lange verhalen. Dat is bewust, schrijft de hoofdredacteur in het voorwoord (waarin hij het blad weer een „food and travel magazine” noemt): „Niets is zo jammer als een interessant onderwerp in oppervlakkige bewoordingen te vertellen.”

Maar het blad moet ook om te genieten zijn, vandaar de fraaie foto’s, bijvoorbeeld van een Siciliaans eetfeest (oké, dat hebben we vaker gezien, maar het blijft genieten) of van doorgesneden sandwiches op een zwarte achtergrond.

En wat te denken van de foto’s, gemaakt op de kunstbeurs TEFAF in Maastricht, van voorwerpen die je aan tafel gebruikt? Een soepterrine in de vorm van een porseleinen gans of Russisch bestek uit het begin van de 19de eeuw. Daar kan een bon vivant wel opgewonden van raken.

Net als van het stuk over foie gras – de heerlijke delicatesse die een mens met goed fatsoen niet kan eten. Maar de bon vivant kan z’n geweten een beetje stillen. Sabor schrijft over „goede” foie gras. Nou ja, relatief goede.

Op een Franse boerderij scharrelen de ganzen lekker vrij rond op een weiland. En als de dieren „ruim drie maanden oud” (!) zijn „gaan ze de schuur in en worden ze, via een flexibele slang, gevoerd met gekookte gemalen maïs”.

Drie weken later worden ze geslacht. Wel een heel kort goed leven voor deze dieren.

Op sommige momenten krijg je jeuk van het blad. Bijvoorbeeld als de wijnbespreker clichés uit het jargon spuwt. „Het eerste slokje zorgt voor een smaakexplosie van geconcentreerd fruit, intens zoet met heel veel zuren, zodat de wijn toch lichtvoetig afdrinkt en minutenlang blijft nagalmen.”

Dan toch liever concrete feitjes over geitjes.