Uit fietsen met mentor-papa en mentor-mama

Marcel van Roosmalen bezoekt studentensteden. Vandaag: Wageningen.

Op de universiteit plassen jongens en meisjes samen. „Dat kan hier.”

Nederland, Wageningen, 19-08-2011 Nieuwe studenten aan de universiteit van Wageningen verzamelen zich voor de 'Annual Introduction Days' (AID). Elk jaar doet zo'n 95% van de nieuwe studenten mee aan de AID. Voor 'Marcel Leert' van Marcel van Roosmalen ©Jan-Dirk van der Burg Burg, Jan-Dirk van der

We – fotograaf Jan-Dirk en ik – gingen naar Wageningen, voor de Annual Introduction Days (kortweg AID) van de plaatselijke universiteit, die vanwege het internationale karakter Wageningen University werd genoemd. Vanuit de auto was er telefonisch contact met Simon Vink, een van de organisatoren, hij had een piepstem.

Vink zei dat we maar gewoon moesten komen en alles maar moesten ondergaan, dat was het beste. En verder zou hij ‘blij’ zijn als we hem ter plaatse niet zouden opsporen, hij wilde zich concentreren op ‘de hoofdzaken’. Daarna verbrak hij de verbinding, het leek ons ook het beste hem niet verder te storen.

Na een lange tocht door verlaten gebieden belandden we op een strook gras tussen futuristische gebouwen, de campus van de Wageningen University. Niet echt een plek waar je als beginnende student blij van wordt.

De beginnende studenten oogden vooral onzeker.

Tussen bomen waren spandoeken van hoofdsponsor Lidl gespannen. Ze zaten er in groepjes onder. Ze smulden van de door de hoofdsponsor beschikbaar gestelde lunchpakketjes - een broodje, een pakje vruchtensap en een Marsje – en staarden voor zich uit. Het besef dat ze hier de komende jaren zouden slijten, sijpelde langzaam binnen.

We gingen bij zo’n groepje zitten en noteerden de wanhopige gesprekken om elkaar beter te leren kennen.

„Ik kijk niet zoveel televisie, dus.”

„Ik ook niet!”

„Leuk, ik ook niet dus.”

Wat opviel was dat de mentoren, herkenbaar aan hun T-shirt, ‘mentor-papa’ en ‘mentor-mama’ genoemd werden.

Mentor-mama zei dat ze die middag door Wageningen gingen fietsen, een initiatief dat lauw werd ontvangen.

De beginnende studenten staarden me allemaal aan.

Mentor-papa - die overigens ook opmerkte dat de term mentor-papa de kloof tussen het thuiswonen en ‘de studerende fase’ verkleinde – zei dat het misschien leuk was als iedereen zijn of haar naam zei.

Dat gebeurde.

„Ik ben Ilse uit Boxtel, ik hou van muziek.”

„Rudolf uit Delft, ik ga levensmiddelentechnologie studeren.”

„Ernst.”

Het rondje eindigde bij de mentorpapa die zei dat Wageningen in het begin misschien wat saai leek, maar dat dat een misvatting was. Verder sprak hij van verwarrende beginperiodes en veel indrukken.

Toen zijn we maar opgestaan.

De mentor-papa: „See you later, aligator!”

Een veld verderop presenteerden de studentenverenigingen zich. Er was een ‘levend pac-man-spel’ en de internationale studentenvereniging speelde er een potje volleybal met lakens, aangemoedigd door een meisje in een koeienpak, de mascotte. Op de vraag waarom ze een koeienpak droeg, antwoordde ze dat vooral het internationale karakter van de University haar erg aansprak. Ongeveer een derde deel van de studenten kwam uit het (verre) buitenland.

We troffen drie rokende Zuid-Koreanen, duidelijk een stuk ouder dan de rest. Ze hadden geen idee waar ze waren en staken na iedere vraag de duim omhoog. Een mentor probeerde ze erbij te betrekken en wees naar een veld waar fietsen stonden. Speciaal voor de buitenlanders was er een fietsenverkoop.

„Without bike, Wageningen is hopeless”, zei hij tegen de Zuid-Koreanen.

Ze staken hun duim op.

De mentor, hij was van de organisatie, maar kende Simon Vink niet, zei dat de introductie beter verliep dan een jaar eerder, toen waren er groepen buitenlanders verdwaald in de bossen, wat voor een sterke onderlinge band had gezorgd. Jammer dat ze de University nooit bereikt hadden.

In het hoofdgebouw stonden vrijwilligers in groepjes van twee. Ze droegen rode T-shirts met de tekst ‘Ask me?’

Dat deden we dan maar.

Anke wist geen raad met de vraag wat de meest gestelde vraag was.

„Ik vind dit erg moeilijk. We zijn met zoveel. Eigenlijk hebben ze me nog geen vraag gesteld.”

Haar collega Joris meldde dat ‘Where is the toilet?’ tot dusver de enige vraag was die hij naar behoren had kunnen beantwoorden. Hij koppelde er een weetje aan vast. In de gebouwen van de Wageningen University waren de toiletten ‘gewoon’ gemengd. Jongens en meisjes plasten er samen. Het had nooit voor problemen gezorgd.

„Dat kan hier.”

Tot slot wandelden we door Droevendaal, een typisch Wageningse studentenwijk, waar groepen studenten in barakken leefden. Volgens Wikipedia trokken de primitieve omstandigheden een soort mensen aan dat veel samen deed. Het was er een woud van bomen, struiken, pompoenen en berenklauwen. Behalve studenten en ex-studenten zouden er op Droevendaal ook veel dieren wonen: katten, kippen, konijnen, varkens, hangbuikzwijntjes en geiten.

We troffen een geit en een ex-student, die meldde dat iedereen er niet was. Hij was vegetariër en zocht een baan, maar kon zich een leven zonder verplichtingen ook best voorstellen. En voor de rest was Wageningen een goede plek. Hij had verder geen last van de inwoners. „Dat is in andere studentensteden anders.”

    • Marcel van Roosmalen