Terrorist, gids, vriend, schurk en theatrale provocateur

Een gek noemden Amerikanen en Arabische buren hem. Maar Moammar Gaddafi was ook een sluwe realpoliticus die decennialang de ene na andere tegenstander overleefde. Hij steunde terroristen, toonde spijt, en werd weer omarmd door het Westen. Maar op het einde was hij terug in zijn schurkenrol.

FILE - In this Sept. 23, 2009 file photo, Libyan leader Moammar Gadhafi addresses the 64th session of the United Nations General Assembly. In that first and only appearance before the U.N. General Assembly, in 2009, Gadhafi rambled on about jet lag and swine flu, about the John F. Kennedy assassination and about moving the U.N. to Libya, the vast desert nation he had ruled for four decades with an iron hand. As rebels swarmed into Tripoli, Libya, late Sunday, Aug. 21, 2011, and his son and one-time heir apparent Seif al-Islam was arrested, Gadhafi's rule was all but over, even though some loyalists continued to resist. (AP Photo/Richard Drew, File) AP

Moammar Gaddafi, een aantrekkelijke jonge officier toen hij in 1969 in Libië de macht greep, was uiterlijk allang verworden tot een verlopen operettefiguur.

Zijn gezin was ook nauwelijks serieus te nemen – Saadi, de gemankeerde topvoetballer, Hannibal, die zijn vrouw en huispersoneel in elkaar sloeg en slepende internationale incidenten veroorzaakte.

Seif al-Islam was nog het normaalst hoewel ook hij iets vreemds had: nu eens bepleitte hij hervormingen, dan weer trok hij zich een tijdje voorgoed uit het politieke leven terug.

Het lijkt een wonder dat Gaddafi het nog zolang heeft volgehouden; niet dat hij viel in een oorlog tegen rebellen en de NAVO. Hoevelen hebben de afgelopen jaren gepopeld een einde te maken aan de kuren van de Broeder-Leider en Gids van de Revolutie zoals hij kortweg heette in de officiële pers?

Hij toonde zich immuun voor alle kritiek. In de grote televisierede waarmee hij in februari de woede van de internationale gemeenschap over zich afriep die nu tot zijn val heeft geleid, brandde hij zijn tegenstanders af als kakkerlakken en verraders die door drugs en drank werden aangedreven.

En zo zag hij zijn opposanten altijd al, van wie velen levenslang in zijn gevangenissen verdwenen en anderen als „zwerfhonden” werden aangemerkt en vermoord.

Gaddafi had gevoel voor het theatrale in kleding en gedrag, met zijn vrouwelijke lijfwacht en de tent waarin hij gasten ontving en in het buitenland placht te bivakkeren. In de buitenwereld leverde het hem smalende kritiek op. Een gek was hij volgens de Egyptische buren; de Amerikaanse president Ronald Reagan noemde hem „niet alleen een barbaar, maar ook geschift”.

Maar in werkelijkheid was hij ook een sluwe realpoliticus die al zijn tegenstanders, de een na de ander, overleefde. Als de internationale gemeenschap de opstandelingen tegen zijn bewind niet gewapenderhand te hulp was geschoten, had hij de opstand tegen zijn bewind mogelijk overleefd.

Op het moment dat de NAVO in maart in actie kwam, waren de krijgskansen gekeerd en dreigden zijn troepen de rebellenhoofdstad Benghazi te heroveren.

In de Arabische regio werd Gaddafi met moeite gedoogd en in elk geval werd er niet naar hem geluisterd. Dus ruilde hij in de jaren negentig de Arabische wereld in voor Afrika, waar hij met zijn oliegeld aanzien kon kopen.

Maar het beste voorbeeld van zijn harde realisme of opportunisme waren zijn offers in dienst van normalisering van de Libische betrekkingen met het Westen.

Hij leverde in 1999 twee functionarissen uit voor berechting door een speciaal Schots hof in Nederland als verdachten van het opblazen van een Amerikaans vliegtuig boven Lockerbie, zwoer terrorisme af en schafte in 2003 zijn atoomwapenprogramma af.

Daartegenover stonden vervolgens wederzijds bevredigende contracten met het Westen, zijn olie voor hun wapens en andere interessante producten. Plus weer het theatrale: het recht zijn tent op te slaan in Brussel, in Rome, in New York, zonder dat er daar moeilijke vragen werden gesteld over zijn aanhoudende schendingen van de mensenrechten.

Dat speelde hij in elk geval een stuk slimmer dan zijn Iraakse collega Saddam Hussein, die door datzelfde Westen ten val werd gebracht, met als aanleiding een massavernietigingswapensprogramma dat niet bleek te bestaan.

Met zijn breed verkondigde liefde voor zijn tent koketteerde hij met zijn afkomst als zoon uit een Bedoeïenenfamilie in het gebied van Sirte, waar hij in 1942 werd geboren. Een militaire carrière bood hem de mogelijkheid hogerop te komen. Hij sloot zijn opleiding in 1966 af.

Het rampjaar 1967 van de vernederende Arabische nederlaag tegen Israël zette hem en een groep jonge officieren op het pad naar een staatsgreep tegen de monarchie, die moest leiden maar Arabische wederopstanding.

Zijn grote voorbeeld was de Egyptische president Gamal Abdel Nasser, een pan-Arabisch nationalist en socialist die in 1970 overleed. In diens spoor poogde Gaddafi jarenlang leider van de Arabische wereld te worden. Dat leidde slechts tot frustratie, want de rest van de Arabische landen weigerde de Libische woestijn met een paar miljoen inwoners serieus te nemen.

Dat streven naar leiderschap, zichzelf te verheffen boven het maaiveld, is kenmerkend voor Gaddafi’s lange loopbaan. Een doorsnee Arabische leider bekommert zich om de macht en de economische positie van familie en vrienden, schippert tussen de verlangens van zijn land en belangen van het buitenland.

Maar Gaddafi was dat niet genoeg. Hij formuleerde zijn Derde Universele Theorie, vastgelegd in de twee delen van zijn Groene Boekje die respectievelijk in 1976 en 1980 uitkwamen. Het ging om zijn weg na kapitalisme en communisme, een eigensoortig socialisme gelardeerd met een eigen interpretatie van de islam. Het was ook niet slechts voor binnenlandse consumptie bedoeld. Opdat de wereld ervan kon profiteren werd het Groene Boekje in meer dan vijftig talen vertaald.

Maar werden de Libiërs er beter van? Zeker niet. Gaddafi’s socialisme was bijzonder inefficiënt als het ging om de ontwikkeling van het land.

In zijn theorie oefende het volk alle macht uit; het volk wás de macht. Er was daarom geen grondwet of iets dat daarop leek nodig of verkiezingen.

Ambassades werden volksbureaus en bij tijd en wijle werden ook de ministeries, die de volkswil dienden toe te passen, een tijdje afgeschaft.

Gaddafi zelf was geen president. De afgelopen maanden herinnerde hij daar vaak aan in interviews met de staatstelevisie en andere boodschappen: hij had alleen moreel gezag, zei hij, en was dus niet in staat af te treden, zoals zijn eigen burgers en de buitenwereld eisten; „net als de Britse koningin Elizabeth”.

Maar dat waren allemaal mooie woorden. Iedereen deed maar wat en wie aan de top zat deed voornamelijk iets voor zichzelf. Het resultaat is dat de ‘staat van de massa’s’ qua infrastructuur, of het nu om wegen, om onderwijs of om gezondheidszorg gaat, in een zeer slechte conditie verkeert, voor een land met slechts zes miljoen inwoners en enorme olie-inkomsten. De jeugdwerkloosheid bedroeg vorig jaar 29 procent. Vandaar dat de jeugd gretig in opstand kwam toen het moment daar was.

In de buitenwereld deed Gaddafi, nog meer dan door zijn Groene Boekje, van zich spreken door zijn genadeloze vervolging van dissidenten – als „zwerfhonden” werden ze gekarakteriseerd, en geliquideerd – en zijn steun voor internationale terreur. Dat was de reden dat buitenlandse leiders hem als een „schurk” en een „dolle hond” zagen.

Libië werd na Gaddafi’s machtsgreep in 1969 toevluchtsoord en bank voor allerhande terroristen die de vijanden van het moment straften: Israël, andere Arabische landen, Groot-Brittannië, Amerika.

De Palestijn Abu Nidal, berucht om zijn aanslagen op de luchthavens van Rome en Wenen, was geruime tijd in dienst van Libië. Ook Zwarte September, de groep die het bloedbad onder Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in 1972 in München aanrichtte, werd door Libië betaald. Carlos ‘de Jakhals’ organiseerde de beruchte gijzeling in het OPEC-hoofdkwartier in Wenen in 1975 in Gaddafi’s opdracht. De Noord-Ierse IRA kon op Libische steun rekenen, evenals tal van Afrikaanse rebellengroepen.

President Reagans luchtmacht bombardeerde Tripoli en Benghazi als wraak voor Gaddafi’s aanslag op discotheek La Belle in Berlijn, die voornamelijk door Amerikaanse militairen werd bezocht.

De bomaanslagen op het vliegtuig van PanAm boven Lockerbie in 1988 (270 doden) en die op een toestel van de Franse maatschappij UTA (170 doden) in 1989 waren de laatste grote terreurdaden die aan Gaddafi werden toegeschreven.

Aanslagen, realiseerde hij zich, leverden niet meer op dan vergelding en sancties. Bezoek kreeg hij alleen nog van Afrikaanse leiders die hij financierde. Hij wilde verder komen.

Na een paar jaar in de westerse gunst met druk bezoek van premiers en presidenten – Tony Blair kwam langs, en Sarkozy – keerde Gaddafi dit jaar naar zijn schurkenrol terug. Een BBC-verslaggever die hem interviewde zei na afloop de indruk te hebben dat de Libische leider daarvan genoot.

Carolien Roelants