SKYPOMANIA

De rust waarmee haar zoon achter de Skypecamera zit heeft Rasha Peper nog niet gevonden. Zij blijft liever onzichtbaar terwijl ze een blik werpt op het leven van haar dierbaren.

Mijn zoon bevindt zich meestal ver weg, in Shanghai, Peking, Vancouver of Chicago. Voor een deel vloeit dat voort uit zijn beroep – als filmmaker zoekt hij locaties en acteurs, bezoekt overal ter wereld filmfestivals en collega’s in het vak of werkt op locatie aan een scenario – maar voor het grootste deel is het rusteloosheid waardoor hij gedreven wordt. Die heeft hij niet van zijn moeder, althans niet op het gebied van reizen, ik ben een uitgesproken honkvast type.

Wel herken ik zijn rusteloosheid in het werk, het nooit lang tevreden kunnen zijn met wat je gemaakt hebt, het gevoel van onrust als je daarna maandenlang niets doet in plaats van alweer met iets nieuws bezig te zijn (ik schaam me altijd voor mijn werktempo als ik aan Vestdijk denk en mijn zoon spiegelt zich aan de bezetenheid en efficiency van Aziatische filmers).Op het ogenblik is Taiwan het land van zijn voorkeur. Uit zijn lyrische foto’s en berichten vol superlatieven over bergen, bossen en rivieren of straattaferelen in Taipei blijkt dat dat eiland heel wat meer te bieden heeft dan de textiel- en speelgoedfabrieken waaraan de Hollandse thuiszitter denkt.

Voor vertrek heeft mijn zoon Skype op mijn computer geïnstalleerd, zodat wij via dat medium kunnen communiceren. Als ik hem ’s ochtends bel, en het zo tref dat hij even tijd voor me maakt, zie ik hem in zijn huurkamer aan tafel zitten, beschenen door Aziatisch namiddaglicht of later op de dag met zijn laptop in een donker eethuis, omringd door ruziënde families, zo klinkt het tenminste.

Tijdens dit contact is het opvallend dat de rusteloze reiziger altijd geheel ontspannen vele dingen tegelijk doet: met mij praten, typen, zijn iPad of iPhone bekijken en beantwoorden, dingen op internet checken, noedels eten, theedrinken of zijn krekel voeren. Vertelt hij over mooie bomen in zijn buurt, dan heeft hij geen idee wat voor bomen dat zijn, maar verzendt er al pratend meteen een foto van. De klunzige digibeet die ik ben, wordt zenuwachtig als er op het scherm iets onverwachts gebeurt, als ik zo’n fotobestand niet meteen geopend krijg of als er hardnekkige pop-ups opduiken. Als tijdens het skypen ook nog eens de telefoon gaat, weet ik helemaal niet meer wat ik moet doen.

„Neem hem maar even”, zegt mijn zoon vanuit Taiwan.

Hij zit er op zijn gemak bij, in zijn blote bast of in een namaak merkshirt, met doorwoeld, nat of rechtopstaand haar, al naar het uitkomt. Ik kijk voor de sessie altijd of mijn haar goed zit en denk dan soms aan mijn grootmoeder die, toen ze pas telefoon had, snel haar schort afdeed als het toestel rinkelde.

De laatste weken werkt het cameraatje bovenop mijn monitor niet meer. Ik kan mijn zoon wel zien maar hij mij niet. Hij verdenkt me ervan hier zelf de hand in gehad te hebben, wat niet waar is, maar ik zal niet ontkennen dat het ongewilde defect me wel bevalt. Ik verlustig me in de aanblik van mijn zoon aan de andere kant van de wereld, krijg een indruk van zijn gezondheid en stemming, zie hoe hij een voet op tafel legt en met een nageltangetje zijn teennagels begint te knippen, nu hij door zijn moeder toch van het werk wordt gehouden, en geniet mee van de muziek die hij heeft opstaan. Hij kan niet roepen dat ik zo’n rare trui aan heb of, terwijl ik hem tegen iemand ‘this is my mother’ hoor zeggen, me voorstellen een mij onbekende vriend of vriendin te begroeten.

Het is de ultieme huismussendroom: comfortabel achter je eigen bureau je dierbare, verre avonturier bespieden, terwijl je zelf onzichtbaar bent.

„Heb je soms dat klepje over het cameraoog dichtgetrokken, smurf?” vraagt mijn zoon.

„Ja zeg, ik ben niet achterlijk!”

„Alleen maar een tikkeltje op jezelf, hè?” zegt hij en ik zie zijn vertrouwde gezicht breed grijnzen in het verre, vreemde land.