Rebellenleiding ligt goed in het Westen

Advocaat Jalil en econoom Jebril waren lang het gezicht van het ‘nieuwe Libië’ dat Gaddafi wilde uitdragen.

Totdat ze gefrustreerd overliepen naar de rebellen.

Rebel National Transitional Council chariman Mustafa Abdel Jalil attends a press conference with Turkish Foreign Affairs Minister Ahmet Davutoglu on August 23, 2011 in Benghazi, Libya. AFP PHOTO/GIANLUIGI GUERCIA AFP

Rebellenleider Mustafa Abdel Jalil zei dinsdag precies wat VN-chef Ban Ki-moon wilde horen. Jalil, die minister van Justitie was onder Moammar Gaddafi, spoorde zijn strijders aan zich aan de wet te houden en zich niet te buiten te gaan aan geweld jegens regeringstroepen en andere vertegenwoordigers van het in het nauw gedreven regime. De voorzitter van de nationale Overgangsraad dreigde zelfs dat hij aftreedt als zijn troepen zich niet gedisciplineerd gedragen.

„Ik doe een beroep op onze revolutionairen om het recht niet in eigen hand te nemen”, zei hij op een persconferentie in de oostelijke stad Benghazi. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties verwelkomde Jalils woorden en beloofde „alle mogelijke hulp” aan het Libische volk zodra de gevechten voorbij zijn.

Jalil was de eerste hoge regeringsfunctionaris die in februari overliep naar de rebellen. Hij en Mahmoed Jebril, de belangrijkste diplomaat van de Overgangsraad, zijn voorlopig de meest in het oog springende leiders van de rebellen. Ook toen hij nog deel uitmaakte van de regering van Gaddafi had Jalil (1952) al goede contacten met het Westen. De Amerikaanse ambassadeur in Tripoli, Gene Cretz, prees de toenmalige minister van Justitie zelfs als „voorstander van een rechtsstaat” en noemde hem redelijk, zo blijkt uit diplomatieke post die is uitgelekt via WikiLeaks. Jarenlang werkte Jalil als advocaat en rechter. Hij wist onder andere een aantal politieke gevangenen vrij te krijgen. In 2007 benoemde Gaddafi hem tot minister van Justitie, om de wereld te tonen dat hij zijn land werkelijk wilde hervormen.

In 2010 kondigde Jalil in het openbaar zijn aftreden aan, waarbij hij kritiek leverde op het regime en op de onmogelijkheid echte hervormingen door te voeren. Toen Gaddafi zijn vertrek niet accepteerde, bleef hij aan – tot hij in februari overliep uit protest tegen het politiegeweld tegen demonstranten. Als rebellenleider maakte hij geen krachtige indruk. In juli zei hij dat Gaddafi in Libië zou mogen blijven, als hij zijn macht maar zou opgeven. Later kwam hij daar weer op terug.

De econoom en politicoloog Mamoed Jebril (1952) maakt in het Westen een betere indruk en is dan ook de belangrijkste contactpersoon met de VS. Jebril studeerde in Kairo en promoveerde in Pittsburgh, op een proefschrift over het Amerikaanse Libië-beleid. Terug in het Midden-Oosten zette hij een bureau voor bedrijfsadvies op en investeerde hij in een toerismeproject in Oman.

Het regime van Gaddafi haalde ook Jebril in de regering om te laten zien dat er een frisse wind woei. In 2005 werd hij benoemd tot economisch adviseur door Gaddafi’s zoon Seif al-Islam, die zelf zei het gezicht van het ‘nieuwe Libië’ te zijn. In die rol was Jebril onder meer nauw betrokken bij de Monitor Group, een inmiddels veel bekritiseerde organisatie die Gaddafi in contact bracht met talrijke prominente Amerikanen (van CNN-presentator Fareed Zakaria tot zangeres Mariah Carey), die daar royale vergoedingen voor kregen. Ook onderhield Jebril namens het regime goede contacten met de Amerikaanse olie-industrie.