Gouden pistolen uit het fort van de kolonel

Uitzinnig dringen duizenden Libiërs door tot in de compound van Gaddafi. Hun heerser is weg, ze plunderen en schieten zijn wapens leeg. „Dit is vrijheid!”

Rebel fighters trample on a head of Moammar Gadhafi inside the main compound in Bab al-Aziziya in Tripoli, LIbya, Tuesday, Aug. 23, 2011. Libyan rebels stormed Moammar Gadhafi's main military compound in Tripoli Tuesday after fierce fighting with forces loyal to his regime that rocked the capital as the longtime leader refused to surrender despite the stunning advances by opposition forces. (AP Photo/Sergey Ponomarev) AP

Zij die regeren met een ijzeren greep verschuilen zich achter hoge muren. De Libische leider kolonel Moammar Gaddafi was geen uitzondering. Dus als rebellen na zes maanden opstand zich al schietend een weg weten te banen naar het zwaarbewaakte hart van zijn fort Bab al-Aziziya, of ‘magnifieke poort’, is het duidelijk dat zijn tijdperk ten einde is. En al het moois wat binnen ligt, behoort toe aan de rebellen, voor wie de NAVO met precisiebombardementen het voorwerk heeft gedaan. Als de rebellen de stalen poorten omver hebben geblazen, betreden Libiërs met opengesperde ogen de binnenste ring van het fort.

Op het grasveld liggen tenten – Gaddafi’s favoriete onderkomens – verbrand. Rebellen met lange baarden dansen op het podium waar een paar maanden geleden Gaddafi de opstandelingen nog voor ‘ratten’ uitmaakte. Overal wordt in de lucht geschoten. Dertienjarigen lopen langs met zilveren revolvers.

„Ik zou nu blij moeten zijn, maar ik ben het niet”, zegt Khaled Al Eziromli, ooit arts, nu rebel. De bestorming van het ‘hol van de duivel’ moet zijn laatste actie zijn, voordat hij weer patiënten gaat helpen. Maar nu hij de plunderaars ziet, twijfelt hij aan alles. „Wat zal onze toekomst zijn nu iedereen wapens heeft?”

Een jongen, petje scheef op zijn hoofd, passeert met twee wapens in de lucht alsof hij een gangster uit Los Angeles is. „What’s up bitch?” zegt hij spottend. „Hou je niet van vrijheid?”

Iedereen droomde hiervan. Tofiq Ghadda, een twintiger met een Gucci-zonnebril en strak blauw shirt – Tripolitaanse blits – stond ’s middags al met handen in de zakken onder een brug bij het rebellenleger. Om hem heen strijders op sandalen en in trainingspak, die met zware machinegeweren op Gaddafi’s kazerneterrein schieten. Anderen staan te trappelen, kalasjnikovs tegen de borst geklemd. „Ik wil ook wel vechten”, zegt Ghadda. „Maar niemand heeft me een geweer gegeven.”

Ontploffingen en het geratel van machinegeweren weerkaatsen. De geur van kruit en zweet hangt in de lucht, er zijn zwarte rookwolken boven de stad. Sommige rebellen drinken vruchtensap en eten cake. Soldaten die vechten hoeven niet te vasten, ook al is het ramadan. Ambulances rijden met loeiende sirenes voorbij, rebellen klappen op de maat van luchtafweergeschut dat staat gericht op een scherpschutter in de immense watertoren verderop. Iedereen vreest de scherpschutters van Gaddafi.

Niemand denkt dat Gaddafi nog in zijn fort zit. „Hij is een rat en die zitten graag onder de grond”, zegt Lehadi Afshoot (47), de ondercommandant van tachtig rebellen uit het Nafusa-gebergte.

Met duizenden – rebellen, mannen in taxi’s, op scooters en op fietsen – komen Libiërs het fort uit. Met schilderijen, plasma-tv’s en zelfs een nieuwe kinderwagen voor tweelingen – gevuld met wapens. En daar is Ghadda, de ongewapende student. In zijn armen nu drie Beretta-pistolen, een kalasjnikov en een doos handgranaten.

„Ik heb wápens”, roept hij blij. Vrijwel iedereen komt nu naar buiten met gloednieuwe Belgische scherpschuttergeweren, gouden pistolen en machinegeweren. „Dit is vrijheid”, roept een man als hij de trekker van zijn nieuwe machinegeweer overhaalt. „Welkom in het nieuwe Libië”, roept een ander, die met zijn pistool in de lucht schiet.

    • Thomas Erdbrink