Dit is dus wat je moet doormaken als je een Palestijn bent

In de spookstad Hebron is het bijna onmogelijk om partijloos te blijven.

Puur op grond van je naam word je gediscrimineerd. Hier is iedereen verliezer.

„Kijk dit was eens de goudverkopersstraat”, verzucht Adam Sjady. Tot acht maanden geleden had hij nog een goudwinkel in de kleine straat in de souk van Al-Khalil, beter bekend onder de Hebreeuwse naam Hebron. Nu zijn alle winkels gesloten. De stalen deuren zijn gebarricadeerd en dicht gesoldeerd. Aan het eind van het straatje torent het prikkeldraad van de joodse nederzetting. Rond Hebron zijn wel zestien joodse nederzettingen. Maar de fanatiekste kolonisten wonen midden in de stad, het zijn er zo’n 400. Om hen te beschermen zijn er permanent 2.000 Israëlische soldaten in de stad gelegerd.

„Ik ben de laatste die nog tegen de nederzetting aan woont. De Israëliërs hebben me vier miljoen dollar voor m’n huis geboden, maar ik ga niet weg.” Adam vertelt over de dagelijkse strijd die hij moet leveren om in z’n huis te blijven. „De Israëlische soldaten gooien molotovcocktails en sound bombs naar binnen. De kolonisten gooien m’n ramen in. Ik krijg dreigbrieven. Er wordt voortdurend met lege flessen en blik naar m’n gezin gegooid.” En zo gaat hij nog even door.

Op de vraag waarom hij niet weggaat, verschijnt er een onverzettelijke blik in z’n ogen. „Ik ga nooit weg. Of ik nu sterf, of mijn vader, mijn broer, mijn vrouw en zonen sterven moeten, ik ga niet weg. Dit is mijn huis. Dit is mijn land. Dit is een kwestie van het hart.”

Hij laat me zijn huis zien. Er staat een bed en er liggen wat matjes op de grond. Aan de muur hangen foto’s van Yasser Arafat, zijn eerste vrouw en z’n oudste drie zonen. De jongetjes poseren in militaire uniforms met Palestijnse emblemen. Ze zijn negen, zeven en zes jaar oud. De oudste ligt in het ziekenhuis in Amman. Een kolonist heeft waterstofperoxide in z’n ogen gegooid. De andere twee zoontjes verblijven in het ziekenhuis van Bethlehem waar ze worden behandeld voor allerlei psychologische en traumatische klachten.

„Ze hebben veel meegemaakt”, zegt Adam. „Hun moeder, m’n eerste vrouw, is vier jaar geleden doodgeschoten. Er waren problemen met de watertank op het dak, dus ze was een kijkje gaan nemen. De soldaten riepen haar om weg te gaan, maar ze was druk bezig. Binnen een minuut had ze vijf kogels door het hoofd. Ze overleed ter plekke.” We staren naar de foto en prevelen een kort gebed.

Adam laat me de huls van een sound bomb zien. Vervolgens toont Adam me de opnames van de Israëlische operaties van acht maanden geleden. Op de beelden zien we hoe het Israëlische leger de winkels sluiten. De Palestijnse verkopers protesteren luid, maar de 200 soldaten en agenten halen de winkels leeg, slaan de menigte uiteen en lassen de deuren dicht met speciaal daarvoor bestemde pantserwagens.

„Dit zijn m’n twee broers, Abel en Sader”, zegt Adam. „En hier sta ik.” Hij wijst op het oude computerscherm voor zich. Ik zie hoe het leger Abel en Sader wegsleept en een arrestatiebusje induwt. Sader is er slecht aan toe. Zijn ontblote buik bloedt hevig. Ook op zijn hoofd heeft hij verschillende wonden. „Drie maanden lang zaten ze in de gevangenis van Tel Aviv, tot ik het losgeld van 5.000 sjekel (ongeveer duizend euro, MS) betaald had.”

Na het bezoek aan Adam loop ik verdwaasd door de prachtige souk. Kan een mens dit echt allemaal doormaken? Wat is waarheid, wat is leugen? Tegelijkertijd waren de beelden meer dan overtuigend. Net zoals de realiteit op straat. Vroeger woonden in de oude stad 25.000 Palestijnen, nu nog geen 7.000.

Reden van alle spanningen in de stad is de begraafplaats van Abraham, de aartsvader van de drie grote monotheïstische godsdiensten. Om bij zijn laatste rustplaats te komen – zijn lichamelijke overschot ligt in de Ibrahim Moskee – moet ik verschillende Israëlische checkpoints passeren. De moskee is tegenwoordig verdeeld in een joods en een islamitisch deel. Zodra ik het joodse deel van de stad betreed, beland ik in een spookstad. De straten zijn leeg. De vroegere Arabische winkels zijn afgesloten en overwoekerd met klimop. Ik loop door volstrekt verlaten buurten. Lege moskeeën, kapotte huizen, dichtgetimmerde kiosken, afgesloten bazaars. Ik zie slechts soldaten, heel veel soldaten, die hun geweren op mij richten en me van alles en nog wat toeschreeuwen. Ik loop de joodse nederzetting in. De gloednieuwe hoge huizen staan dicht tegen elkaar aangebouwd. Ze hebben amper ramen en staan naar elkaar toegekeerd, alsof ze zichzelf moeten beschermen. Hier en daar speelt een orthodox kind. Zodra het hoofdje met de pijpenkrullen mij opmerkt, rent het weg. Ik denk aan de leuzen bij de checkpoints van de muur nabij Ramallah. ‘Een muur, twee gevangenissen’, stond er. Het is waar. Iedereen is hier slachtoffer van z’n eigen angst. Z’n eigen onvermogen om in de ander z’n broer of zus te zien.

Ik beweeg me voortdurend tussen het Palestijnse en Israëlische deel. Maar het is haast onmogelijk om partijloos te zijn. Mijn Arabische naam zegt voor elke Israëliër genoeg. Bij de grensovergang vanuit Jordanië word ik uren ondervraagd. Terwijl de een na de andere buslading mag passeren en mijn vriendin allang haar visum heeft gekregen, zit ik vast in een vreemd niemandsland. Ik voel me gediscrimineerd en vernederd. Eenmaal uit de grenspost zet ik m’n telefoon uit. De veiligheidsdienst heeft m’n nummer genoteerd en trackt me. En terwijl we langs de muur van Ramallah lopen horen we het geklik van geladen mitrailleurs.

„Ga weg, ga weg”, wordt er vanuit de hoge wachttorens gebruld. Stokstijf blijven we staan, de handen in de lucht. Ik kan niet weg, ik moet terug naar Jeruzalem. Bij de checkpoints zit ik weer vast. Terwijl mijn vriendin door de hekjes verdween stond ik in het schermerdonker tussen twee ijzeren poortjes.

Dit is dus wat de Palestijnen doormaken, denk ik. Wie je ook bent, wat je ook doet, het maakt niet uit. Je zit vast. Je land wordt je afgenomen, je winkel, je huis. En het gaat alleen om huidskleur, het gaat alleen om de klank van je stem. Het hangt er maar vanaf aan welke kant je van de muur geboren wordt. Maar vrijheid bestaat hier niet. Hier is iedereen gevangen.

Monique Samuel is schrijver.

    • Monique Samuel