Tweemaal daags wat regenworm

Hij moest niks hebben van heksenvervolgingen en hij probeerde rare ziektes door te prikken. Maar eigenlijk was het Jan Wier om iets anders te doen dan het uitwassen van bijgeloof. Vera Hoorens laat in haar biografie zien dat de vroegmoderne arts niet zo verlicht was als altijd werd gedacht. ‘Vera Hoorens behandelt de werken van Hoorens uitvoerig en ook de reacties daarop. Zo komen we veel te weten over de medische praktijken van zijn tijd. Talloze ziekteverschijnselen waren met de toenmalige kennis onmogelijk te verklaren en daarom werd de oorzaak niet zelden in het bovennatuurlijke gezocht. Soms was er bedrog in het spel want rare ziektes loonden. Wie stad en land afliep met een officieel certificaat dat hij of zij leed aan een nooit vertoonde aandoening of daarvan juist wonderbaarlijk genezen was, kon daar aardig mee verdienen.

Geneesheren zoals Wier waren altijd nieuwsgierig naar dergelijke gevallen, en konden niet zelden een bedrog onthullen. Eenvoudige waarneming leidde dan tot de vaststelling dat de non met de hysterische aanvallen ‘s nachts geen bezoek kreeg van de duivel, maar van plaatselijke jongemannen; dat het duivelse stoffen uitbrakende meisje droge draden van wol in haar keelgat had gestopt; dat in de kippensoep van een onverklaarbare zieke vrouw arsenicum was gestrooid door een boosaardig dienstmeisje.’

De volledige bespreking van de Jan Wier biografie Een ketterse arts voor de heksen kunt u hier lezen.