De pr-machine werkte prima

De rebellen in Libië wisten hun onderlinge verdeeldheid tot nu toe goed te verbergen.

Maar nu is de vraag wie de beslissingen gaat nemen in het tijdperk na Gaddafi.

Libische rebellen rustten gisteren na een aanval van pro-Gaddafistrijders bij een militair trainingscentrum in Tripoli. Foto Reuters Libyan rebel fighters rest after an attack by pro-Gaddafi forces at a Gaddafi army women's officer training center in Tripoli August 22, 2011. Ongoing fighting with snipers and other pro-Gaddafi forces has prevented the rebels from gaining control of the Green Square in the center of the city. REUTERS/Bob Strong (LIBYA - Tags: CIVIL UNREST CONFLICT MILITARY) REUTERS

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat de wereldpers, eind februari, massaal toestroomde naar de Tunesische grens met Libië. Na de omverwerping van Ben Ali in Tunesië en Mubarak in Egypte heerste een gevoel van euforie.

Als zulke betrekkelijk respectabele dictators in enkele weken verdreven konden worden, zou die gekke Gaddafi het zeker niet lang uithouden. Binnen tien dagen zouden we op het Groene Plein in Tripoli feestvieren.

De Libische rebellen dachten eerst nog dat ze de klus zelf wel konden klaren. In rebellenbastion Benghazi verschenen plakkaten met de optimistische boodschap: „Nee tegen internationale interventie; het Libische volk kan dit in zijn eentje.” Die plakkaten verdwenen weer snel. De Libische opstand werd een oorlog, het Westen werd partij.

Vanaf het begin twijfelde de internationale gemeenschap, want wie waren die leden van de rebellenraad eigenlijk? Ze zeggen wel dat ze democraten zijn, maar wie weet zijn het moslimextremisten of bloeddorstige, op wraak zinnende stammen. En vertegenwoordigde de Nationale Overgangsraad in Benghazi wel álle rebellen, ook die in de Nafusabergen en Misrata? Of vertegenwoordigde zij alleen maar zichzelf?

Zes maanden later was de frustratie compleet. Zelfs Frankrijk, dat het voortouw had genomen in de NAVO-bombardementen tegen de troepen van Gaddafi, overwoog om te gaan onderhandelen met zijn regime.

Het Westen voelde uiteindelijk dat het geen andere keuze had dan de rebellen te blijven steunen. De militaire successen van de rebellen in de in het westen gelegen Nafusa-bergen namen deels de vrees weg dat de rebellen in het oosten – in Benghazi – alleen zichzelf vertegenwoordigden. Nederland, dat in juni nog weigerde de rebellenraad te erkennen als officieel vertegenwoordiger van het Libische volk, deed dat in juli plots wel. Frankrijk deed dat al eerder, de VS en Groot-Brittannië volgden.

Daarmee leek de pr van de rebellen te hebben gewerkt. Voorafgaand aan die internationale erkenning was Benghazi in de Nafusa-bergen een groot pr-offensief begonnen om de Libische eenheid te beklemtonen. Benghazi’s burgemeester kwam persoonlijk geld uitdelen in de bergen. Het totale nationaal elftal kwam naar het bergplaatsje Jadu om haar overlopen bekend te maken. In werkelijkheid ging het om voetballers die al sinds het begin van de opstand in Benghazi of Tunesië vertoefden. Het geld van de burgemeester was een aalmoes. En achter de schermen zeiden militaire bevelhebbers in de bergen dat zij helemaal niet naar Benghazi luisterden. De internationale gemeenschap hield zich doof, kon eigenlijk ook niet anders.

En zo slaagden de Libische rebellen er lang in hun interne verdeeldheid verborgen te houden, ook voor de duizenden journalisten die Benghazi de voorbije zes maanden hebben bezocht.

Dat er op zeker moment bijna een burgeroorlog uitbrak in Benghazi tussen de aanhangers van de Coalitie van 17 Februari, het orgaan dat onmiddellijk na de opstand werd opgericht, en de later opgerichte rebellenraad, is onopgemerkt gebleven. Pas met de moord op Abdel Fattah Younes, de overgelopen Gaddafi-generaal, kwamen de interne spanningen aan de oppervlakte.

Eén gevolg van de moord op Younes is dat de rebellen het post-Gaddafi-tijdperk tegemoettreden zonder regering: het volledige kabinet werd de laan uitgestuurd in afwachting van een onderzoek naar de ware toedracht. De facto heeft opnieuw de rebellenraad (TNC, in theorie het parlement) het voor het zeggen. Over die rebellenraad weten we nog minder dan over de ex-kabinetsleden: een groot deel van zijn leden zijn anoniem omdat ze zich in Gaddafi-gebied bevonden.

De rebellen hebben vaak gezegd dat ze een plan hebben voor de toekomst. Zo moet er snel een wetgevende vergadering bijeenkomen die een nieuwe, uitgebreide rebellenraad aanwijst, in afwachting van democratische verkiezingen.

Maar de grote vraag is wie de beslissingen gaat nemen in de dagen en weken die nog komen gaan.

Is de rebellenraad voldoende georganiseerd en eensgezind om chaos en wraakneming te voorkomen? En hoe zit het met de rebellen uit Misrata en uit de Nafusa-bergen? Luisteren zij zonder meer naar de bevelen van de politici uit Benghazi?