Banken betalen prijs voor onrust

Onrust manifesteert zich in toenemende mate ook op de geldmarkt, de plaats waar banken hun kapitaalbehoefte op korte termijn regelen.

De een vraagt meer onderpand, de ander een hoger tarief. De dagelijkse interacties tussen banken onderling gaan de laatste dagen moeizamer. Het geld dat banken voor één nacht bij de Europese Centrale Bank (ECB) stallen is driemaal zo hoog als gemiddeld dit jaar. Dat duidt op groeiend wantrouwen tussen banken onderling. Ook hebben banken meer moeite om aan dollars te komen. De tarieven die zij moeten betalen om euro’s tegen dollars te ruilen zijn sinds 2008 niet meer zo hoog geweest.

Op de geldmarkt organiseren banken hun financiering op dag, week- en maandbasis. Tot op uurbasis lenen zij elkaar onderling geld uit om in hun kapitaalbehoefte op de korte termijn te voorzien. Juist daar ontstonden drie jaar geleden grote problemen na het bankroet van zakenbank Lehman Brothers. Banken werden toen zo onzeker over elkaars financiële stevigheid, dat ze niet meer onderling durfden te lenen. Gevolg: de interbancaire markt droogde van de een op de andere dag op.

Maar de huidige oplopende spanningen staan in geen verhouding tot die van drie jaar geleden, benadrukt hoogleraar banken en financiering Harald Benink. „De achtergrond van de onrust is ook heel anders. De financiële markten zien dat Europese politici niet op een geloofwaardige manier de problemen oplossen. Dat voedt de onzekerheid.”

Er zijn weliswaar voldoende manieren voor banken om aan geld te komen – niet in de laatste plaats bij de ECB – maar de geschiedenis leert dat te veel lenen van de centrale bank de onrust juist kan voeden. Het feit dat een niet nader genoemde Europese bank onlangs 500 miljoen dollar bij de ECB leende, gold vorige week juist als een van de verklaringen voor vluchtende beleggers. De bewuste bank mag hopen dat haar naam niet bekend wordt, want beleggers zien zulke acties vaak als een teken van zwakte – ook al hoeft er niet veel aan de hand te zijn.

De onzekerheid over het bankwezen manifesteert zich in diverse gedaantes: het wordt steeds duurder om je met hulp van derivaten tegen het faillissement van een bank te verzekeren. En de extra rente die lenende banken betalen vergeleken met het tarief dat hun overheid betaalt (de zogenoemde TED-spread, zie grafiek links), loopt op. Volgens deskundigen zijn het allemaal symptomen van een groter probleem.

„De belangrijkste zorg in de obligatiemarkt gaat over het opkoopprogramma van de ECB”, zegt Arjan de Ruiter, hoofd obligatiehandel bij ING. De ECB koopt sinds twee weken grootschalig staatsleningen van Italië en Spanje op om de gemoederen te bedaren. De Ruiter: „Maar hoe lang kan dat duren? De financiële markten zien dat die oplossing niet houdbaar is. Het geeft een vals gevoel van stabiliteit.” Bovendien bestaan er zorgen over de belofte van de ECB dat de inflatie niet zal worden aangewakkerd. De centrale bank ‘steriliseert’ haar aankopen zodat er per saldo geen geld wordt bijgedrukt. Maar tot hoe lang is dat vol te houden? De Ruiter zegt dat het de mediterrane landen nog steeds ontbreekt aan geloofwaardige hervormingen. „Dat zijn allemaal redenen voor de aanhoudende nervositeit.”

Hoogleraar Benink meent dat de boodschap voor politici glashelder is: al twee weken na het akkoord over een tweede steunronde aan Griekenland liepen de rente op Italiaanse en Spaanse staatsleningen alweer op. „Dat is een teken aan de wand. Dat na een dergelijk akkoord de risico’s zo toenemen!”

Het heeft volgens hem dan ook weinig zin om kredietbeoordelaars of speculanten de schuld te geven. „Politici mogen zeggen wat ze willen, maar de schulden van Griekenland zijn niet houdbaar. Dat is gewoon een feit. De financiële markten zien een fundamenteel probleem dat niet opgelost wordt. Zij zien geen geloofwaardig perspectief. In zo’n omgeving worden ook banken voorzichtiger en gaan ze minder makkelijk geld uitlenen.”

    • Jeroen Wester