Al-Shabaab zoekt nieuwe goudmijn

Met afperspraktijken wist de terreurgroep veel geld in Mogadishu te verdienen.

Maar na het vertrek uit de Somalische hoofdstad is de geldstroom opgedroogd.

Een Burundese militair van de internationale troepenmacht in Mogadishu houdt de wacht. Foto AFP RESTRICTED TO EDITORIAL USE - MANDATORY CREDIT "AFP PHOTO/ AU-UN IST/ STUART PRICE" - NO MARKETING NO ADVERTISING CAMPAIGNS - DISTRIBUTED AS A SERVICE TO CLIENTS An handout photograph released by the African Union-United Nations Information Support Team on August 18, 2011 shows a Burundian soldier serving with the African Union Mission in Somalia (AMISOM) looking along a road from a new position established in northern Mogadishu following the sudden departure from the Somali capital by the Al Qaeda-inspired Shebab rebels two weeks ago. Although still in control of large swathes of central and southern Somalia, rebels' overnight withdrawal was in part due to string of military offensives this year by AMISOM and the forces of the UN-backed Transitional Federal Government (TFG) which has seen them take strategic and tactical positions and areas of the capital that is now almost all under TFG and AMISOM control. AFP PHOTO / AU-UN IST / STUART PRICE AFP

Een buitenlandse bezoeker van Mogadishu is doorgaans duizend dollar per dag kwijt aan beveiliging. Journalisten, diplomaten en hulpverleners logeren in een gebarricadeerd kamp rond de luchthaven. Alleen daar zijn zij redelijk veilig. Buiten de enclave loert het gevaar van radicaal islamitische sluipschutters of van kidnappers.

Nu is het iets veiliger in de Somalische hoofdstad of in ieder geval iets rustiger: twee weken geleden vertrok de radicaal islamitische groep Al-Shabaab onverwacht uit Mogadishu, na een succesvol offensief van Somalische regeringssoldaten en militairen van de Afrikaanse Unie-missie. Hulpverleners en diplomaten reageerden opgelucht: zij zien Al-Shabaab als het grootste obstakel voor hulp aan tienduizenden hongerslachtoffers en voor een politieke oplossing van de twintig jaar oude burgeroorlog.

Er wordt volop gespeculeerd over de ondergang van Al-Shabaab. Er bestaan al langer aanwijzingen over onenigheid binnen de groep, tussen de nationale en de internationale vleugel, en tussen de gematigden en radicalen. Door het vertrek uit de hoofdstad en, als gevolg daarvan, het verlies van inkomsten uit afpersingspraktijken zou de organisatie financieel in moeilijkheden zijn geraakt. De vlucht van een half miljoen hongerigen uit het door Al-Shabaab gedomineerde zuiden van Somalië ondermijnt haar machtspositie verder.

De topleiders van Al-Shabaab zijn Ahmed Abdi Godane en Ibrahim al-Afghani. Ze zijn getraind door de Talibaan in Afghanistan, komen uit het noordelijke Somaliland, maar ontberen de steun van belangrijke clanleiders in Somalië. Hun sterke kaart is de relaties met aan Al-Qaeda verbonden buitenlandse strijders die binnen Al-Shabaab terreurtactieken introduceerden, zoals zelfmoordaanslagen. Hun belangrijkste medestander was de Comorees en leider van Al-Qaeda in Oost Afrika, Fazul Abdullah Mohamed. Die werd twee maanden geleden in Mogadishu gedood.

De tegenspelers van Godane en al-Afghani binnen Al-Shabaab zijn Hassan Dahir Aweys en Muktar Ali Robow. Zij vertegenwoordigen de meer nationalistische vleugel die zich verzet tegen de invloed van Al-Qaeda. Zij willen wél buitenlandse hulpverleners en voedselhulp toelaten.

Godane was voorstander van terugtrekking uit Mogadishu en wil met terreuraanslagen de strijd om de hoofdstad voortzetten. Robow en Aweys staan een meer conventionele militaire tactiek voor en wilden hun terrein in Mogadishu tot de laatste man te verdedigen.

Volgens Matt Bryden, opsteller van een lijvig rapport van de VN over Somalië, heeft Al-Shabaab zich ontwikkeld tot een autoriteit die jaarlijks tientallen miljoenen dollar genereert. „De productie en export van houtskool brengt jaarlijks 15 miljoen dollar op en vindt op industriële schaal plaats.” Bryden gelooft dat door deze inkomsten de organisatie zonder buitenlandse financiële hulp kan opereren. Door belasting in havens, van handelaren, en van hulporganisaties wordt de kas gevuld.

De terugtrekking uit Mogadishu betekent een financiële tegenslag voor Al-Shabaab. Vooral de inkomsten van de grote Bakara-markt waren belangrijk. Al-Shabaab inde daar maandelijks van ieder van de 4.000 marktkramen 50 dollar. Soldaten van Al-Shabaab kregen tot voor kort beter betaald dan de regeringssoldaten, maar door het verlies van inkomsten dreigt er nu gebrek aan soldij en onvrede onder de strijders.

Een geschatte 10 tot 15 procent van Al-Shabaabs inkomsten komt van belasting op hulporganisaties. In de oorlogseconomie van Somalië is voedselhulp een goudmijn waaraan militieleiders, transporteurs en politici stevig verdienen. Tijdens de hongersnood van 1991/1992 werkten buitenlandse hulporganisaties nauw samen in de voedseloperatie met de gematigde Robow en met Shariff Hassan, de voorzitter van het parlement in Mogadishu. „Dezelfde kartels van toen maken ook nu de dienst weer uit bij de voedseldistributie”, stelt Joakim Gundel van Katuni Consult, een groep die de voedselhulp in Somalië onderzoekt.

„Deze kartels vormen een grote financiële macht in Somalië en de drijvende kracht achter de regering”, zegt Gundel. In mindere mate geldt dit ook voor Al-Shabaab. Hulpverleners hopen dat de gematigde Robow zich distantieert van de radicale leiders van Al-Shabaab en voedselhulp gaat toelaten in zijn geboortestreek rond Baidoa. Hij is daar zelf ook bij gebaat: Robows connecties met de distributiekartels zullen hem financieel gewin opleveren.

Voedselhulp beïnvloedt zo in belangrijke mate de politieke ontwikkelingen in Somalië. De toenemende macht van de kartels gaat ten koste van de invloed van de traditionele clanleiders, die volgens vele analisten de beste hoop zijn voor terugkeer naar behoorlijk bestuur. Clanleiders vestigden in het noordelijk Somaliland stabiliteit. Ook daar heerst een ernstige droogte maar geen hongersnood. In Somalië wordt die ontwikkeling geremd door de corrupte politici en hun kartels. „Terwijl je stervende mensen helpt, voedt je ook de machtsgroepen die zaken doen met de ramp”, oordeelt Gundel. „Je redt vandaag mensen opdat ze morgen kunnen sterven.”

    • Koert Lindijer