Verdeelde rebellen beloven snelle orde

Het aanvankelijke optimisme waarmee het Westen de Libische rebellen steunde, is al lang omgeslagen in twijfel. Hun onderlinge verdeeldheid maakt de toekomst onzeker.

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat de wereldpers, eind februari, massaal toestroomde in het treurige Tunesische grensplaatsje Ben Guerdane. De journalisten waren allemaal op weg naar Libië.

Er heerste een gevoel van euforie in de Arabische wereld na de omverwerping van Zine El Abedine Ben Ali in Tunesië en Hosni Mubarak in Egypte. Als betrekkelijk respectabele dictators als Ben Ali en Mubarak in enkele weken waren verdreven, dan zou die gekke Gaddafi het zeker niet lang uithouden.

Het liep anders. De Libische opstand sloeg om in een oorlog. De rebellen dachten eerst nog dat ze de klus zelf wel konden klaren. In het centrum van Benghazi verschenen plakkaten met de optimistische boodschap: „Nee tegen internationale interventie; het Libische volk kan dit op zijn eentje.” Die plakkaten zijn al lang verdwenen.

Zes maanden later was de frustratie van de internationale gemeenschap over de Libische rebellen compleet. Zelfs Frankrijk, dat het voortouw had genomen in de NAVO-bombardementen tegen de troepen van Gaddafi, was tot de conclusie gekomen dat er niets anders opzat dan te onderhandelen met zijn regime.

De slepende oorlog leidde er toe dat de internationale gemeenschap steeds meer vragen stelde over de Libische rebellen.

Wie waren die leden van de rebellenraad eigenlijk? Ze zeggen wel dat ze democraten zijn, maar wie weet zijn het moslimextremisten of bloeddorstige, op wraak zinnende stammen.

Maar het Westen had geen andere keuze dan de rebellen te blijven steunen. Nederland, dat in juni nog weigerde de rebellenraad te erkennen als officieel vertegenwoordiger van het Libische volk, deed dat in juli plots wel. Frankrijk deed dat al eerder, de VS en Groot-Brittannië volgden.

De recente successen van de rebellen in de Nafusabergen hadden de vrees weggenomen dat Benghazi alleen zichzelf vertegenwoordigde.

Voorafgaand aan de beslissing van de Benelux, de VS en Groot-Brittannië had Benghazi een pr-offensief ontketend om de Libische eenheid te beklemtonen. Benghazi’s burgemeester kwam persoonlijk geld uitdelen in de bergen. Het totale nationaal elftal kwam naar het bergplaatsje Jadu om haar overlopen bekend te maken.

In werkelijkheid ging het om voetballers die al sinds het begin van de opstand in Benghazi of Tunesië vertoefden. Het geld van de burgemeester was een aalmoes.

Anderzijds zeiden de militaire bevelhebbers in de bergen dat zij helemaal niet naar Benghazi luisterden. „Wij lichten hen hooguit in over onze plannen,” zei een bevelhebber in Zintan in juni. Ook de rebellen in belegerd Misrata verhulden niet dat ze maar weinig respect hadden voor die van Benghazi. De internationale gemeenschap slikte het: ze had geen keus.

De Libische rebellen bleken beter in pr dan in oorlogvoeren. Ze slaagder er lang in hun interne verdeeldheid verborgen te houden.

Dat er op zeker moment bijna een burgeroorlog uitbrak in Benghazi tussen de aanhangers van de Coalitie van 17 Februari, het orgaan dat onmiddellijk na de opstand werd opgericht, en de later opgerichte rebellenraad, is onopgemerkt gebleven.

Pas met de moord op Abdel Fattah Younes, de overgelopen Gaddafi-generaal, kwamen de interne spanningen aan de oppervlakte.

Eén gevolg van de moord op Younes is dat de rebellen het post-Gaddafi-tijdperk tegemoettreden zonder zonder regering: het volledige kabinet werd de laan uitgestuurd in afwachting van een onderzoek naar de ware toedracht.

De facto heeft opnieuw de rebellenraad (TNC, in theorie het parlement) het voor het zeggen. Over die rebellenraad weten we nog minder dan over de ex-kabinetsleden: een groot deel van zijn leden zijn anoniem omdat ze zich in Gaddafi-gebied bevonden. De rebellen hebben vaak gezegd dat ze een plan hebben voor de toekomst. Zo moet er snel een wetgevende vergadering bijeenkomen die een nieuwe, uitgebreide rebellenraad aanwijst, in afwachting van democratische verkiezingen.

Maar de grote vraag is wie de beslissingen gaat nemen in de dagen en weken die volgen.