Spock zou nooit naaktvolleyballen

Boldly go where no man has gone before: Coen van Zwol keek tussen Friese nudisten naar de avonturen van de Enterprise. En de briljante Mr. Spock was zijn held.

William Shatner als Captain Kirk tussen de aaibare tribbles. Foto NBC scene uit de televisieserie Star Trek : The Original Series TOS FOTO: NBC science fiction William Shatner aliens Tribbles

Ik ontdekte Star Trek zo’n beetje op hetzelfde moment dat mijn ouders het nudisme ontdekten. Het zal rond 1974 zijn geweest, toen wij er al aan waren gewend steeds nieuwste zegeningen van de tegencultuur te omhelzen. Dat begon met open haard en Jimi Hendrix en eindigde met meditatie, vrouwenhuizen en onheilspellende plannen om in een commune te gaan wonen.

Dat bleef gelukkig bij plannen, maar nudisme werd ons niet bespaard. In het Friese Makkinga was het begin jaren ’70 nog pionieren op naturistenterrein de Lotus: een open plek voor onze tent moesten wij zelf met bijl en spade op het kreupelhout veroveren. Voor een broeierige prepuber duurden die nudistenweekeinden eindeloos. Na het zien van talloze bleek deinende en harige volwassenenbillen bij het volleybal hoefde je me over vervreemding niets meer te leren. Nog absurder werd het op frisse dagen, waarvan Friesland er veel had. Dan droegen vaders Noorse truien, maar geen broek: je wilt tenslotte niet voor mooiweernudist doorgaan. En daar stonden ze dan rond het kampvuur, met hun harige truien en bengelende kraantjes.

Er was één lichtpuntje, een baken van rede, rust en wijsheid: Mister Spock. Elke zondagmiddag om twee of drie uur was Star Trek namelijk op tv. Was het de TROS die de serie uitzond? Op de Lotus stond een caravan met antenne en een kleine oranje zwartwit-televisie. Daar, de neusjes bijna tegen het scherm gedrukt, beleefden we elke zondag de avonturen van kapitein Kirk, mr. Spock en ruimteschip Enterprise mee.

Star Trek stamde uit 1966 en had het ondanks matige kijkcijfers nog drie seizoenen uitgezongen omdat de serie zoveel jonge kijkers trok – pas in de jaren zeventig groeide de serie uit tot een ware cultus. Nu lijkt alles, inclusief acteerwerk, hoogst knullig: dat schaalmodel van de Enterprise aan een visdraadje, de brug met spaanplaten panelen vol knopjes, schuifhendels, lichtjes, toeters en bellen, de ‘technobabble’ (‘calibrate the paraphased resonators with tractor decompilers’), de rotspartijen van papier-maché, die net iets te strakke uniformen om kapitein Kirks buikje te verbergen.

Maar in mijn fantasie was het allemaal volstrekt overtuigend. Ik herinner mij diepe beklemming toen bemanningleden in rood uniform – die gingen er altijd als eerste aan – tot een dampend plasje werden gereduceerd op een mijnplaneet in de episode The Devil in the Dark. Het monster mocht dan als een schurftige zitzak ogen, dat maakt mijn opwinding niet minder toen Mr. Spock er via ‘Vulcaanse geestversmelting’ achter kwam dat deze siliconen levensvorm in werkelijkheid een moeder was, razend omdat de lompe mijnwerkers haar eieren vernielden. Hoe verzonnen ze het!

Wie door het bordkarton heen kijkt, kan nog altijd constateren dat de scripts van Star Trek boeiende filosofische of moralistische fabels zijn. Toch had mijn vader, een liefhebber van sciencefiction, geen interesse. Kinderspel vond hij Star Trek. Ik vermoed dat de missie van de USS Enterprise hem tegenstond: ‘To explore strange new worlds, to seek out new life and new civilizations, to boldly go where no man has gone before’. Dat riekte naar Amerikaanse imperialisme, en daarvan hadden we in de jaren ’70 in Friesland onze bekomst. Op Kerstavond 1972 protesteerden wij al met het hele gezin tegen president Nixons wrede ‘kerstbombardement’ op Noord-Vietnam, om mij onbekende reden bij de gereformeerde dorpskerk, met de slogan ‘Stille Nacht, Vietnameesje geslacht’.

Pas veel later, bij de vervolgserie Star Trek: Next Generation werd ook mijn vader fan, nadat hij ontdekte dat het geesteskind van de Californische semihippie Gene Roddenberry bezield was door verheven humanistische idealen – het was kapitein Kirk die de eerste interraciale kus op Amerikaanse tv uitdeelde (aan ondergeschikte luitenant Uhura).

Niet dat ik op mijn twaalfde over dergelijke zaken nadacht in dat enge bos vol blote volwassenen. Voor mij was Star Trek gewoon ‘fascinerend’; Spock was mijn grote held. Puzzels en problemen werden in Star Trek doorgaans opgelost in samenspel tussen kapitein Kirk en rechterhand Spock. Kirk was de intuïtieve, impulsieve romanticus, Spock de bedachtzame, systematische rede. Half mens, half Vulcaniër, een ras dat elke emotie leerde onderdrukken omdat het zo’n heftig gevoelsleven had. Berg je maar als Spock in de bronst raakte, of ‘pon farr’, zoals de Vulcaniërs zeggen.

Kirk en Spock: dat was Mick Jagger en Keith Richards. Natuurlijk was de parmantige praatjesmaker Kirk het baasje, maar de introverte, briljante Spock had de mystiek. Zoals hem wilde ik zijn: koel, rationeel, mysterieus, alwetend, geen woord te veel, niet van zijn stuk te krijgen, emoties hooguit verradend met een opgetrokken wenkbrauw.

In het echt had ik natuurlijk helemaal niets met Spock gemeen, ik bleek ook knap waardeloos in wiskunde – maar daarom juist! En een ding was zeker: Spock zou nooit naaktlopen, zoiets zou hij erg onredelijk vinden. Kapitein Kirk? Ja, die zag je best voor nudist aan, al was het maar om naar damesbillen te gluren tijdens het naaktvolleybal.

Nog altijd heb ik een zwak voor het woord ‘fascinerend’, de stoplap van Spock.