Nu mensen redden van honger opdat zij dan sterven in de oorlog

Al-Shabaab laat voedselhulp weer toe in Somalië. Een pervers effect daarvan is de aantasting van de macht van clanhoofden. Zij bieden kans op terugkeer van stabiliteit.

Na het vertrek eerder deze maand van Al-Shabaab rebellen patrouilleerden regeringssoldaten voor het eerst weer door heel Mogadishu. Foto AFP Somali military forces patrol the Arwa Idko junction at the Sodona road in Mogadishu on August 6, 2011. Somalia's Islamist Shebab rebels pulled out of key positions in the war-torn and famine-struck capital today, with the country's president proclaiming the city "fully liberated". The Al-Qaeda affiliated Shebab insurgents abandoned several strategic positions overnight that were then taken over by government troops. AFP PHOTO/Abdurashid ABDULLE AFP

De aankondiging, twee weken geleden, van de radicaal islamitische militie Al-Shabaab om uit de Somalische hoofdstad Mogadishu te vertrekken, heeft aanleiding gegeven tot speculaties over de ondergang van deze groepering. Hulpverleners en diplomaten reageerden opgelucht op het vertrek. Zij zien Al-Shabaab als het grootste obstakel voor de hulp aan tienduizenden hongerslachtoffers en voor een politieke oplossing van de twintig jaar oude burgeroorlog.

Maar het gevaar van Al-Shabaab strijders is nog lang niet geweken. Er bestaan al langer aanwijzingen over onenigheid binnen de groep, tussen de nationale en de internationale vleugel, en tussen de gematigden en radicalen. De organisatie zou in financiële moeilijkheden zijn omdat zij inkomsten misloopt in de hoofdstad. De vlucht van een half miljoen hongerigen uit Al-Shabaab-gebieden in Zuid-Somalië ondermijnt verder hun machtspositie.

De leiders van Al-Shabaab zijn Ahmed Abdi Godane en Ibrahim al-Afghani. Ze zijn getraind onder het regime van de Talibaan in Afghanistan. Ze zijn afkomstig uit het noordelijke Somaliland en ontberen de steun van belangrijke clanleiders in Somalië. Hun sterke kaart is de relaties met aan Al-Qaeda verbonden buitenlandse strijders die binnen Al-Shabaab terreurtactieken introduceerden, zoals zelfmoordaanslagen. Hun belangrijkste medestander was de Comorees en leider van Al-Qaeda in Oost-Afrika, Fazul Abdullah Mohamed. Fazul werd twee maanden geleden in Mogadishu gedood, een zware tegenslag voor Godane.

De tegenspelers van Godane en al-Afghani binnen Al-Shabaab zijn de veterane islamitische leider Hassan Dahir Aweys en Muktar Ali Robow. Zij vertegenwoordigen de meer nationalistische vleugel die zich verzet tegen de invloed van Al-Qaeda en radicale Somaliërs uit de diaspora. Zij willen wel buitenlandse voedselhulp toelaten. Godane was voorstander van terugtrekking uit Mogadishu en wilde met terreuraanslagen de strijd in de hoofdstad voortzetten. Robow en Aweys staan een meer conventionele militaire tactiek voor en wilden hun terrein in Mogadishu tot de laatste man verdedigen.

Volgens Matt Bryden, opsteller van een lijvig rapport van de VN over Somalië, heeft Al-Shabaab zich ontwikkeld „tot een autoriteit die jaarlijks tientallen miljoenen dollars genereert. De productie en export van houtskool brengt jaarlijks 15 miljoen dollar op en vindt op industriële schaal plaats”. Bryden gelooft dat door deze inkomsten de organisatie zonder buitenlandse financiële hulp kan opereren. Door belasting in havens, van handelaren, en van hulporganisaties wordt de kas gevuld.

De terugtrekking uit Mogadishu betekent een financiële tegenslag voor Al-Shabaab. Vooral de inkomsten van de grote Bakaramarkt waren belangrijk. Al-Shabaab inde daar maandelijks van ieder van de 4.000 marktkramen 50 dollar.

10 tot 15 procent van Al-Shabaabs inkomsten komt van belasting op hulporganisaties. In de oorlogseconomie van Somalië is voedselhulp goede business waaraan militieleiders, transporteurs en politici stevig verdienen. Tijdens de hongersnood van 1991/1992 werkten buitenlandse hulporganisaties nauw samen in de voedseloperatie met Mukhtaar Robow, de huidige gematigde leider van Al-Shabaab en met Shariff Hassan, de voorzitter van het parlement in Mogadishu. „Dezelfde kartels van toen maken ook nu de dienst weer uit bij de voedseldistributie”, stelt Joakim Gundel, van Katuni Consult, een groep die de voedselhulp in Somalië onderzoekt. „Deze kartels vormen een grote financiële macht in Somalië en de drijvende kracht achter de regering”, zegt Gundel. In mindere mate geldt dit ook voor Al Shabaab. Hulpverleners hopen dat de gematigde Robow zich distantieert van de radicale leiders van Al-Shabaab en voedselhulp gaat toelaten in zijn geboortestreek rond Baidoa. Robows connecties met de distributiekartels zullen hem dan financieel gewin opleveren.

Voedselhulp beïnvloedt zo in belangrijke mate de politieke ontwikkelingen in Somalië. De toenemende macht van de kartels gaat ten koste van de invloed van de traditionele clanleiders, die volgens vele analisten de beste hoop zijn voor terugkeer naar behoorlijk bestuur. Clanleiders vestigden in het noordelijk Somaliland stabiliteit. Ook daar heerst een ernstige droogte maar geen hongersnood. In Somalië wordt die ontwikkeling geremd door de corrupte politici en hun kartels.

„Terwijl je stervende mensen helpt, voed je ook de machtsgroepen die zaken doen met de ramp”, oordeelt Gundel. „Je redt vandaag mensen opdat ze morgen kunnen sterven in de oorlog.”