Missie-ijver

Vorige week schreef ik over overeenkomsten tussen misstanden op jeugdinternaten in de vorige eeuw. De verwaarlozing die George Orwell beschreef, deed denken aan het recente nieuws over wantoestanden in internaten, geleid door katholieke broeders en zusters, voor zwakzinnige jongeren in het Limburgse Heel.

Daarop kreeg ik een reactie van een collega, die onlangs van zijn moeder een onthutsend verhaal dat zij hem nooit eerder had verteld, te horen kreeg. Zij is inmiddels hoogbejaard, maar nog helder van geest.

Het leven van zijn ouders, vertelde mijn collega eerst nog, was zwaar getekend door het plotselinge overlijden in 1946 van hun eerste kind, een meisje van vier jaar, aan hersenvliesontsteking.

Zijn moeder had een tante – een zus van haar moeder – die als zuster werkte in een Haags klooster annex verzorgingshuis voor kinderen die aan het downsyndroom leden. Eén keer per jaar mochten de zusters bezoek ontvangen. Zijn moeder en grootmoeder zochten deze zuster dan op en hij ging soms mee.

Op een dag werd zijn moeder door een van de andere nonnen meegetroond naar een ander vertrek. Zij wilde zijn moeder, nog in de rouw om het verlies van haar eigen kind, „iets heel moois” laten zien. In het kamertje lag een dood, mongoloïd kind opgebaard.

„Is het geen engeltje?” vroeg de non aan zijn moeder. „Dit kindje gaat regelrecht naar de hemel.” Zij was opgetogen dat het gelukt was hem een weesgegroetje te laten opzeggen (een weesgegroet is een kort gebed tot de Maagd Maria, beginnend met de woorden ‘wees gegroet, Maria’). Hoe was dat gelukt bij zo’n ziek, geestelijk toch al gehandicapt kind?

Ze deden dat door zo’n kind midden in de nacht wakker te maken, want een terzake deskundige had gezegd dat „hun hoofdjes dan nog zo helder mogelijk waren”, in geschikte conditie dus om het weesgegroetje erin te stampen.

„Jongen, vind je dat nou niet schril?” vroeg de moeder van mijn collega aan hem toen ze uitverteld was. Een mooi, bijna uitgestorven woord voor iets wat onaangenaam en griezelig is.

Dat is het om meerdere redenen.

Eerst is er het gebrek aan psychologisch inzicht bij de non. Zij wist dat deze moeder zelf kort tevoren een kind had verloren en confronteerde haar onvoorbereid met een ander gestorven kind.

Bovendien had de moeder aan de toelichting van de non een schuldgevoel kunnen overhouden. Zij had midden in de nacht immers geen weesgegroetjes in het koortsige hoofdje geplant. Misschien was haar kindje daarom wel niet in de hemel gekomen. Geen gebed – dan ook niet gered. Gelukkig, voegde mijn collega eraan toe, was het geloof van zijn moeder nooit erg sterk geweest, en zal zij deze conclusie niet hebben getrokken.

Wat mij vooral trof, was de wereldvreemdheid van dergelijke zusters, die er soms toe moet hebben geleid dat zij de dood van de aan hen toevertrouwde kinderen met hun fanatieke missie-ijver bespoedigden.

„Wat een misverstanden”, verzucht mijn collega achteraf. „En dat allemaal in het heilige geloof dat ze het goede deden. Al die opofferingen, maar ook die afschuwelijke verdringing van al wat menselijk is.” Hij wijst erop dat deze religieuzen niet voor niets in afzondering leefden, de wereld mocht hun vrome fantasieën niet verstoren.

Het lijkt allemaal lang geleden gebeurd, maar wat is 65 jaar? 1946 – mijn geboortejaar. Ik was er zelf bij.

    • Frits Abrahams