Met handenarbeid en spierkracht komen we niet ver meer

Onlangs vielen opnieuw 36 doden, toen Oeigoeren in opstand kwamen.

Met separatisme had dat weinig te maken. De Oeigoeren eisen respect.

Gevaarlijke vragen wil Kasim, een jonge Oeigoerse ondernemer, wel beantwoorden. Maar niet in het West-Chinese Kashgar, dat na recente aanslagen is veranderd in een vesting. Ver buiten de oasestad, aan de rand van het op 3.645 meter hoog gelegen Karakulmeer, zegt hij: „Ik haat de Chinezen.” Dan nuanceert hij: „Ik haat eigenlijk alleen de Chinese soldaat die iedere keer naar mijn identiteitskaart vraagt en me uitlacht vanwege mijn accent.”

De 29-jarige Kasim is professionele gids voor Chinese, Turkse en Amerikaanse bergbeklimmers. Zijn achternaam wil hij graag veranderd zien in Al-Kashgari, een verwijzing naar een elfde-eeuwse Oeigoerse lexicograaf en filosoof. Het gesprek gaat over de diepe sociale, culturele en economische kloven tussen de Oeigoeren en de Chinezen en over de jongste geweldsexplosie, twee weken geleden, waarbij 20 Chinezen en 16 Oeigoeren werden gedood. De Chinese overtuiging dat deze aanslagen, die zich al decennia lang om de paar jaar voordoen, gepleegd zijn door separatistische terroristen wijst hij niet meteen af.

„Het is natuurlijk best mogelijk. Er zijn volgens mij hele kleine, radicale groepen die nog steeds naar afscheiding streven. Dat oude ideaal leeft trouwens onder de jongeren helemaal niet meer”, zegt hij. „Ik ken niemand die hoopt op een onafhankelijk Oeigoeristan, ik ken wel veel mensen die willen dat wij net als Hongkong worden behandeld: een land met een eigen, autonome status in China.”

De aanslagen, legt Kasim uit, kunnen ook verklaard worden uit diepe, meer alledaagse frustraties over de Chinezen. Hij vertelt over de honderden arrestaties na de aanslagen in de jaren 90 en na de grote botsing tussen Chinezen en Oeigoeren in 2009 in Urumqi, waarbij 197 mensen omkwamen. Sommige arrestanten zitten jaren vast zonder proces. Er zijn arrestanten in de cel gestorven. Hun lichamen werden niet teruggegeven aan de families, maar meteen volgens de Chinese wetgeving gecremeerd.

De honderden moskeeën hier staan onder streng toezicht en mogen alleen bezocht worden door volwassenen. Islamitisch onderwijs op scholen is in Kashgar verboden, net als het dragen van hoofddoeken in de klas, op het werk en in overheidsgebouwen. Mannelijke Oeigoeren in dienst van de staat dienen zich te scheren en ook tijdens de ramadan te eten. Oeigoerse moslims die de hadj, de reis naar Mekka, willen maken moeten over de vijftig jaar zijn en van onbesproken gedrag.

Kasim geeft nog een voorbeeld. „Op het plein voor de Idkah-moskee is een televisiescherm geplaatst, zoals overal in China. De openbare televisie staat aan tijdens de gebedsdiensten. Dat getuigt niet van respect voor onze cultuur.” Inderdaad wordt ook tijdens het vrijdagmiddaggebed, als op het plein voor de grootste moskee van China de duizenden gelovigen door de knieën gaan, het volume van de gigantische televisie niet lager gezet.

Kasim zegt dat de Oeigoeren nooit hele fanatieke moslims zijn geweest, maar dat door het beleid van de Chinese overheid „de spanningen nog nooit zo groot zijn geweest”. De Oeigoerse econoom Illam Tohti, hoogleraar aan de Minderhedenuniversiteit in Peking, is het met Kasim eens. „Voor Oeigoerse moslims is het Arabische fundamentalisme geen aantrekkelijke richting. Behalve tijdens een periode in de negende eeuw hebben de Oeigoeren nooit de strengste, salafistische vormen aangehangen. En toch wordt de religieuze vrijheid steeds verder ingeperkt”, zegt Tohti, die in 2009 enkele maanden in hechtenis doorbracht.

Het straatbeeld in Kashgar, waar de middeleeuwse islamitische oude stad wordt omringd door geprefabriceerde, betegelde Chinese flats, kantoren en winkelpaleizen, bevestigt deze uitspraak. Vrouwen in boerka’s zijn uitzonderingen. Modieuze, veelkleurige sjaals domineren bij de vrouwen, áls zij al hun haren bedekken. Tohti: „Ik begrijp de Chinese zorgen over de dreiging van het fundamentalisme best, maar die dreiging wordt zwaar overdreven.”

Kasim denkt dat het toch vooral de sociale en economische kloof tussen de Oeigoeren en de Han-Chinezen is die de spanningen voeden. Kashgar is een van de belangrijkste bestemmingen van de 300 miljard euro die de Chinese autoriteiten in Xinjiang (een zesde van China) investeren. Waar al eeuwen Afghanen, Tadzjieken, Kasjmiri, Kazachen, Kirgiziërs, Oezbeken en Chinezen handel drijven, wordt een nieuwe, 21ste-eeuwse commerciële en industriële pleisterplaats gecreëerd. De instroom van geld gaat gepaard met de komst van hoog opgeleide Chinezen en van gespecialiseerde technici en bouwvakkers.

Kashgar is een apartheidsstad geworden, met de Chinese minderheid in goed bewaakte enclaves en de Oeigoeren in hun eigen wijken, de oude stad en de grote bazaars, waar geen Chinees durft te komen. Econoom Tohti: „Oeigoeren zijn de handelaars, de boeren, de dagloners. De Chinezen domineren de financiën, de industrie en het bestuur. De scheiding leidt ertoe dat de betere banen onbereikbaar zijn voor Oeigoeren, ook voor degenen met universitaire scholing.” Dat aantal is klein. Bijna tachtig procent van de Oeigoeirse jongeren maakt alleen de lagere en middenschool af.

Kasim staat op en zegt: „Als ik de baas zou zijn van Xinjiang zou ik iedere Oeigoer verplichten Chinees en een echt vak te leren. De Chinezen zijn heel slim, wij moeten dus óók onze hersens gebruiken; met handenarbeid en spierkracht komen we er niet meer. We moeten de Chinezen verslaan met hun eigen wapens.”

    • Oscar Garschagen