In Rio lachen we, flirten we, zingen we

De inwoners van Rio de Janeiro zijn als dieren, ze overleven buiten. Op straat en vooral op het strand, zegt zangeres Teresa Cristina. En altijd met muziek, met de samba. „Wij hebben weinig nodig om gelukkig te zijn.”

Het was zo’n warme avond tijdens de hete zomer in Rio de Janeiro. Door de openstaande ramen van de bar klonk de stem van iemand die in haar leven te veel cachaça leek te hebben gedronken. Buiten bleven mensen staan, om te luisteren naar de melancholische teksten en om te dansen op het ritme van de samba.

Achter de microfoon stond een onbekende twintiger, Teresa Cristina. Een zangeres in een bar in een verpauperde buurt. Een wijk met veel oude, verlaten koloniale panden uit de Portugese tijd met kapotte ramen en ingetrapte deuren. Grandeur in verval. Met straten waar winkeliers ’s avonds haastig hun zaak sloten. Het waren vooral lijmsnuivende jongeren en zwervers die zich er ophielden.

Dat was Lapa, eind jaren negentig. De historische buurt in het centrum van Rio de Janeiro leek gedoemd tot de vergetelheid. Maar de stem van Cristina (nu 42) en het getokkel van de cavaquinho, het instrument met de vier snaren dat zo kenmerkend is voor de samba, brachten het uitgaansleven weer terug naar Lapa. In de loop der jaren kregen de optredens van Cristina, in bar Semente, steeds meer concurrentie van andere sambamuzikanten, elders in de buurt. Horecaondernemers grepen hun kans. Oude huizen werden opgekocht en omgebouwd tot sambalokalen.

Lapa is daardoor de afgelopen jaren een van de trekpleisters geworden van Rio, de stad die vooral geroemd wordt om carnaval, stranden en natuur. „De buurt is weer populair omdat de mensen er met elkaar op straat kunnen staan, genietend van de muziek, dansend. Dat is belangrijk voor de cariocas”, zegt Cristina in een muziekstudio in het westen van de stad. Cariocas is de naam voor de inwoners van Rio de Janeiro. „Zij maken deze stad voor mij zo speciaal.” Cristina is geboren in Rio.

Zij is een gelauwerde zangeres. Haar eerste cd kwam uit toen zij al 34 jaar was. Daarom wordt ze vaak nog gezien als iemand van de nieuwe lichting sambazangers. Hoewel haar naam onlosmakelijk is verbonden met de opleving van Lapa, heeft ze inmiddels ook internationaal erkenning verworven. Zo treedt ze in oktober op in het Bimhuis in Amsterdam, op het Brasil Festival.

Het succes van Lapa, vroeger de favoriete locatie van Rio’s bohémiens en dure Poolse prostituees, hangt nauw samen met de aard van cariocas, zegt Cristina. „De inwoners van Rio de Janeiro zijn dieren die overleven in de buitenlucht. Daar vermaakt hij of zij zich, met vrienden, met familie. Op straat, op het strand, in het park. Plaatsen waar veel mensen op de been zijn, net zoals tegenwoordig in Lapa.”

Cristina draagt een wit gehaakt jurkje. Haar nagels zijn groen gelakt. Als ze spreekt gaan haar woorden vaak gepaard met gebaren. Maar dan weer laat de zangeres plotseling, met de hand onder de kin, haar elleboog op haar linkerknie rusten. Even nadenken. Dan zegt ze: „Het tropische klimaat heeft hier op iedereen hetzelfde effect. Je verlangt er meteen naar terug zodra je ergens anders bent.”

Ze groeide op in een arm milieu, in Vila da Penha. Deze oude middenklassebuurt in het noorden van de stad, ver weg van het strand, is tegenwoordig omsingeld door sloppenwijken. Daar speelde zij op straat, met de bal, tikkertje en verstoppertje. Het is nog steeds een omgeving waar iedereen elkaar kent. Waar ’s avonds de plastic stoeltjes op de stoep verschijnen en de barbecue wordt aangestoken. Dat is het Rio van haar jeugd, en het Rio dat nog altijd bestaat.

Haar vader was een migrant, uit het noorden van Brazilië. Als marktkoopman verdiende hij zijn geld. Op haar dertiende begon ze met werken. Ze verkocht eerst broodjes en werkte daarna jarenlang als manicure. „Mijn klanten waren meestal Portugese dames op leeftijd.”

Toen ze 25 jaar was, verhuisde ze naar het appartement van haar eerste echtgenoot – ze is twee keer getrouwd geweest. Hij woonde in Leblon, een van de duurste wijken. Zo leerde zij de verschillende gezichten van de stad kennen. Het leven in Leblon was vooral geordend. Vol peperdure winkels. Alles functioneerde. De stoplichten, de vuilnisophaaldiensten. Een cultuurschok. „Het was alsof ik in een ander land terecht was gekomen. Maar dat maakt deze stad tegelijkertijd zo fascinerend.”

Als ze dit heeft gezegd, betrekt haar gezicht. Heel even. Ze moet denken aan de tijd van voor haar roem, zegt ze. Aan de jaren van ploeteren. Dagelijks zat ze uren in de bus om op haar werk te komen. Twee uur heen, twee uur terug. Voor een schamel salaris.

„Het openbaar vervoer is superslecht in Rio de Janeiro en het is de arme carioca die daar onder lijdt. Die komt van ver om in Zona Sul, de dure strandwijken in het zuiden, te werken. Altijd is de bus tjokvol en de airconditioning doet het vaak niet. Dan moet je na een lange dag werken staan in de bus, terwijl het een graad of 37 is.”

Daarom moest zij die ene keer in Berlijn, waar ze was voor een optreden, bijna huilen. Bij een halte stond ze te wachten op een bus. Die zou om 08.03 uur komen. Ze geloofde het niet, zo’n vreemde tijd. Dus nam ze voor de zekerheid maar een foto van de dienstregeling. „Het was onwerkelijk. De bus kwam op tijd. Emotionerend. In Rio komen de bussen gewoon een half uur te laat, als ze al komen. Hier regeert de chaos.”

Wanneer ze op reis is, mist Cristina de witte stranden, de palmbomen, de bergenpieken met het weelderige groen, de aanblik van vissers in Copacabana en Leme. En welke andere stad in de wereld heeft zo’n groot bos met watervallen als het Floresta da Tijuca binnen de gemeentegrenzen? Geen enkele toch?

Toch speelt in haar teksten de stad Rio de Janeiro geen opvallende rol. Voor haar composities laat zij zich vooral inspireren door de inwoners. „Een carioca”, zegt zij, „heeft weinig nodig om gelukkig te zijn. Inwoners, uit alle inkomensklassen, overleven niet alleen, ze leven ook nog goed. Mensen houden van lachen, maken grappen. Met een open geest staan zij in het leven. Tijdens een moment van geluk is de horizon nooit ver weg. Je weet nooit hoe lang het duurt, dus moet je er vooral van profiteren. Zo is de mentaliteit in deze stad en daar hou ik van.”

Denk nu niet dat er in deze miljoenenstad niet gewerkt wordt. Dat iedereen de hele dag op het strand ligt. „Een groot misverstand!”, bezweert de zangeres. Dat zeggen vooral de paulistas graag, zoals de inwoners worden genoemd van die andere Braziliaanse metropool, São Paulo. „Paulistas komen hier aan in pak en zien dan het strand vol met parasolletjes. Het is jaloezie. Het zijn toeristen die de stranden doordeweeks bevolken, niet de inwoners. Cariocas werken zich uit de naad. Maken lange dagen.”

Gelukkig is er aan het einde van zo’n lange week hard werken altijd de samba, de muziek waarop de carioca automatisch de heupen laat bewegen. Samba, zo zegt Cristina, is een integraal onderdeel van het leven in de strandstad. En dan heeft ze het niet over de snelle samba van het carnaval, maar over de meer traditionele.

„Muzikanten en vrienden ontmoeten elkaar om te spelen, te eten, te drinken. Zo gaan er snel acht uur voorbij. Praten, drinken, flirten, zonder ruzie. De muziek is opbeurend, maar de teksten zijn melancholisch, die gaan over liefdesverdriet, verbroken relaties. Voor de cariocas werkt de samba als een catharsis. Na een avond dansen zijn hun gezichten weer opgeklaard en gaan ze vrolijk naar huis. Dat is de kracht van deze stad.”

Morgen: Een facelift voor Rio’s haven