De gijzeling van de psychologie

Volgens de hedendaagse psychologie verklaart alleen ons brein ons gevoelsleven en ons handelen.

Het vak is een wezenloze feitjesmachine geworden.

Psychologie studeren is razend populair in Nederland. Universiteiten hebben noodgedwongen een numerus fixus ingesteld. Je kunt geen krant, weekblad of magazine openslaan of er worden psychologische kwesties besproken. Deze nationale belangstelling is gerust opmerkelijk te noemen als je kijkt naar de toestand waarin de psychologische wetenschap verkeert. Het vak wordt namelijk gegijzeld door hersenwetenschappers.

Eerder was menselijk gedrag in de psychologie nog het gevolg van twee krachten: persoonlijkheid – daarbinnen speelde biologie een rolletje – en sociale omgeving. De tientallen ‘breinboeken’ van nu laten er echter geen twijfel meer over bestaan: gedrag is uitsluitend het product van de hersenen. Tekenend is dat steevast het woord brein wordt gebruikt, in plaats van hersenen. Dit duidt op de Angelsaksische herkomst van neurologisch onderzoek en legt de link met ‘slim’.

Onze identiteit is in de kern geen psychologische en sociologische kwestie meer, maar een biologische. We zijn ons brein, zegt Dick Swaab.

Dit brein is vrouwelijk of mannelijk (Brizendine), de dader van een misdaad (Lamme), bron van passie (Sitskoorn), van de gekke gedachte (Aleman), van de liefde (Szalavitz & Perry), de reden dat pubers puberen (Crone) en het is onderhevig aan het het ‘zelfmoordgen’ (Van IJzendoorn). Alcoholverslaving is geen gecombineerd bio-psycho-sociaal probleem, maar een hersenziekte. Een depressie is een chemische onbalans.

Psychologie is een bijproduct van de biologie geworden.

De gijzeling van de academische psychologiebeoefening kwam op gang met het behaviorisme. Dat beheerste de Amerikaanse psychologie tussen de jaren twintig en vijftig van de vorige eeuw. Het accent op waarneembaar gedrag en de afkeer van mentale concepten zoals ‘psyche’ leidde tot een uiterst schrale kennisproductie en uiteindelijk tot een implosie van dit behaviorisme.

Intussen wilden psychologen echte wetenschappers zijn. Ze omarmden de natuurwetenschappelijke manier van onderzoek doen – experimenten, data produceren, geen abstracte theorieën, geen mystery and miracle. In de universitaire opleidingen consolideerde zich zo een sterke nadruk op onderzoeksmethoden en statistiek, ten koste van theorieontwikkeling. De ontwikkeling van de wetenschappelijke psychologie nam afstand van de filosofie – waaruit ze is ontstaan – en van diepere psychologische vragen naar de aard van ons bestaan.

Een goed voorbeeld is de manier waarop intelligentie wordt onderzocht. Slim gedrag kun je observeren. Het begrip intelligentie is daarentegen abstract en ligt op een niet direct waarneembaar niveau. Je moet dus een theorie opstellen. Deze is na meer dan honderd jaar onderzoek nog niet tot stand gekomen. Er bestaat niet eens een breed geaccepteerde definitie van wat intelligentie eigenlijk is, hoewel in het onderwijs en in de gezondheidszorg, op televisie en op internet voortdurend wordt getest op IQ. Empirisch onderbouwde datavergaring gaat voor alles. Voor serieuze psychologen is dit een schaamtevolle praktijk.

De gezichtsbepalende sociale psychologie verwordt tot een feitjesmachine van losse ditjes en datjes. Zij produceert fragmentarische gegevens. Daarover kunnen we dagelijks lezen in de media. Deze feitjesmachine bestaat uit vooral – door de computer mogelijk gemaakt – experimenteel sociaal-psychologisch onderzoek naar vooral vrouwelijke psychologiestudenten van begin twintig. Zij moeten verplicht meedoen om hun studiepunten te halen. Niemand lijkt zich nog zorgen te maken over de generaliseerbaarheid van deze ‘kennis’.

Als je deze gegevens kritisch beschouwt, blijven ze meestal achter bij wat we graag common sense noemen. De vakken die traditioneel op meer omvattende theorieën als persoonlijkheidsleer waren gericht, zijn praktisch verdwenen uit de curricula van de Nederlandse psychologieopleidingen.

Ook de daadwerkelijke diagnose en behandeling van psychische stoornissen zijn overgenomen door breinadepten. Kijk maar naar de opkomst en het succes van de zogenaamde Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Deze is bedoeld om de betrouwbaarheid van psychiatrische diagnostiek te verbeteren.

DSM is evenwel een classificatiesysteem uit de geneeskunde, is theorieloos van opzet en zoekt naar biologische verankeringen van stoornissen, niet naar psychologische bepalingen. Het gevolg is dat de grenzen van veel stoornissen, zoals autisme en stemmings- en gedragsstoornissen, worden opgerekt. Opstandige pubers, dikke mensen en mannen met een erectiestoornis kunnen rekenen op een eigen etiket. Hierbij lijkt vooralsnog vooral de farmaceutische industrie gebaat. In 1952 telde DSM ruim 100 stoornissen. Sinds 2000 zijn het er bijna 400. Zodra de DSM-5 op de markt komt, ontloopt niemand nog een etiket. Hiermee wordt geen gezondheid, maar stoornis gepromoot. De traditionele diagnostiek raakt ondergesneeuwd door de DSM-maffia.

Behandeling en diagnose zijn dus verschoven naar de observeerbare buitenkant. Ze missen de diepgang die wordt geaccentueerd in de common sense, in de literatuur, in de filosofie en in de overvloedige alternatieve therapierichtingen. In de behandeling schort het op deze manier aan theorie om vast te stellen waardoor gedragsverandering ontstaat. Van elke behandeling wordt het effect opnieuw vastgesteld. Het accent in de cognitieve gedragstherapie ligt vooral op verandering van denkpatronen, met een gebrek aan aandacht voor emoties.

Wanneer ik tijdens lezingen bespreek hoe psychische conflicten tot uitdrukking kunnen komen in lichamelijke symptomen en verschijnselen (volgens het gezonde verstand liggen zorgen zwaar op de maag en leidt stress soms tot een hartinfarct), word ik argwanend bejegend. Klinische psychologiestudenten willen niet horen dat hun rsi-klachten psychologische oorzaken kunnen hebben. Ze lijken te verlangen naar een protocol waarbij niet hoeft te worden nagedacht, alleen nog gehandeld. Jonge psychologen zijn, in plaats van clinici, technici geworden. Daar is binnenkort een bescheiden (hbo-)opleiding voldoende voor. Hoe beperkter de opleiding, hoe getrouwer het protocol wordt gevolgd. Elk dynamisch, ambivalent, onbewust en conflicterend psychisch patroon wordt onderbelicht door deze onderzoekswijze.

Twee inspanningen zijn noodzakelijk. Onderzoekers moeten psychologische processen beschouwen als gelijkwaardig aan biologische en sociologische processen. Ze zullen kennis over deze psychische toestanden – zowel bewuste als onbewuste – moeten verwoorden in fatsoenlijke, niet te simpele theorieën. Ze zullen mentale concepten in ere moeten herstellen. Kwalitatief onderzoek moet daarbij weer aanzien krijgen.

In de klinische psychologie zullen clinici de bevrijding tot stand moeten brengen. Zij werken dagelijks met patiënten. Wel vereist het moed en lef om in te zwemmen tegen de stroom van hersenonderzoekers, experimentalisten, empiristen en de DSM-maffia.

Prof. dr. Jan Derksen is klinisch psycholoog aan de Radboud Universiteit, de Vrije Universiteit van Brussel en heeft een eigen praktijk.