Het extra matras van Jasper

Feestje? Biertje? Iedereen die langs Jaspers partytent op de Lowlands camping loopt wordt aangesproken. Jasper wil een afterparty. Kni-kna-knallen met zijn i-a-allen. Z’n i-a-allen bestaat voorlopig uit vier wankele tieners, een oude man zonder t-shirt, Jasper zelf en ik. Te weinig. Om goed te kunnen afteren heb je volgens Jasper minstens twintig mensen nodig. Ik

Feestje? Biertje? Iedereen die langs Jaspers partytent op de Lowlands camping loopt wordt aangesproken. Jasper wil een afterparty. Kni-kna-knallen met zijn i-a-allen.
Z’n i-a-allen bestaat voorlopig uit vier wankele tieners, een oude man zonder t-shirt, Jasper zelf en ik. Te weinig. Om goed te kunnen afteren heb je volgens Jasper minstens twintig mensen nodig.

Ik krijg een lauw blikje bier in mijn handen gedrukt. Hij is blij dat ik wil blijven, hij heeft nog geen vrouwen. Misschien zien we er iets te ruig uit, zegt hij wijzend op zijn gasten.
Ruig is niet het eerste woord dat er in mijn hoofd opkomt. Ongedoucht misschien, of straalbezopen.
Het kan ook zijn dat ze ons gewoon niet zien, mompelt Jasper en draait het volume van zijn gettoblaster omhoog. De bleke tieners steken goedkeurend hun duimen in de lucht. De oude man slaapt. Jasper pakt twee campingstoeltjes uit zijn tent en zet ze langs het pad. Effe zitten. Voor ons neus trekt de stoet festivalgangers voorbij op weg naar hun tent. Ondanks de oorverdovende muziek blijft Jaspers afterparty onopgemerkt. Hij zucht. Het is lastiger dan hij dacht. Hij loopt naar zijn tent, komt terug met een grote opblaasrookworst waarmee hij voorbijgangers begint aan te tikken. Als ze opkijken wenkt hij. Feestje? Biertje? Succes blijft uit.
Ik vraag hem waarom hij zo graag nog een afterparty wil.
Hij neemt een grote slok bier.
Weet je, begint hij, ik voelde vandaag echt zo’n energie. Onbekenden lachen naar je, praten met je. Iedereen staat open. En ik wil dat nog even vasthouden. Dat gevoel dat je met zijn allen bent. Een soort van één ofzo. Dat moet je toch vieren?

Alsof de kosmos hem gehoord heeft loopt er plotseling een dikke jongen naar Jasper toe die zijn armen om hem heen slaat, de rookworst tussen hen in geklemd. He man, klinkt Jaspers stem verstikt achter het opblaasgevaarte, bedankt man. Geen dank, lispelt de dikke jongen en sluit zich weer aan bij de stoet. Jasper ziet er aangedaan uit. Dat is toch tof? Ik begrijp niet waarom het niet altijd zo kan zijn.
We kijken naar de mensen, een eindeloze stroom. Dronken, lachend, struikelend, zingend. De sfeer is gemoedelijk. Jasper drinkt tevreden van zijn bier. Hij lijkt wel te kunnen leven met zijn floppende afterparty.

Ik ben natuurlijk dronken, zegt Jasper met enige zelfkennis, maar ik voel toch echt wat ik voel. Dat al deze mensen mijn vrienden zouden kunnen zijn. Hij tikt met de opblaasrookworst zachtjes tegen iemands hoofd en krijgt een glimlach toegeworpen. Het komt door de ruimte, denkt hij. Je zit zo dicht op elkaar dat je wel vriendelijk moet zijn. Jasper heeft gelijk. Op de camping staan de tenten bovenop elkaar, voor de wc’s lange rijen, tandenpoetsen doe je hier zij aan zij. Er worden handdoeken gedeeld en shampooflessen, onbekende buren wensen elkaar goedenacht door het tentdoek heen. Er heerst hier vriendelijkheid.
Ik probeer met Jaspers blik naar de stoet te kijken. Potentiële vrienden. Waarom ook niet. Jasper wil ik er best bij hebben.

Plotseling staan de tieners achter ons. Ze kloppen de gastheer op zijn schouders, thanks voor het bier, en sluiten zich aan bij de stoet. De oude man is verdwenen. Jasper lijkt in te zien dat het met die afterparty niets meer gaat worden.
Maar het was tof om even samen te zitten, zegt hij. Ik knik. Geheel wederzijds.
Jasper pakt zijn slaapzak uit de tent. Hij gaat buiten liggen vannacht. Met zijn extra matje naast hem. Want je weet maar nooit. Misschien zoekt iemand uit de stoet straks nog een slaapplek.