Zij werd door diefstal een ster

Honderd jaar geleden verdween de Mona Lisa op mysterieuze wijze uit het Louvre. Het doek bleef jaren zoek. De internationale media-aandacht voor de diefstal maakte Leonardo da Vinci’s schilderij wereldberoemd.

De Mona Lisa wordt officieel teruggebracht in het Louvre op 4 januari 1914, nadat het doek na de diefstal in 1911 een tijd spoorloos was. Foto P. Thompson / Archive Photos / Getty Images Officials gather around Leonardo da Vinci's 'Mona Lisa' (aka 'La Gioconda' or 'La Joconde') upon its return to Paris, 4th January 1914. It was stolen from the Musee du Louvre by Vincenzo Peruggia in 1911, and has only just been recovered. (Photo by Paul Thompson/FPG/Archive Photos/Getty Images) Getty Images

Een van de meest geruchtmakende kunstdiefstallen van de vorige eeuw was de roof van de Mona Lisa uit het Louvre. Komende maandag is het honderd jaar geleden dat die diefstal werd gepleegd . Aanvankelijk had niemand in de gaten dat Leonardo da Vinci’s meesterwerk uit 1506 niet meer aan de muur hing; op maandag 22 augustus 1911 was het Louvre dicht voor publiek. Er werd schoongemaakt en waar nodig gerepareerd. Pas de volgende dag, toen er weer bezoekers kwamen, werd ontdekt dat de plek waar het schilderij hoorde te hangen leeg was. Men was verbijsterd en kon het niet geloven.

De kranten waren als massamedium in opkomst en de internationale pers dook erop. Die aandacht maakte van het schilderij van de glimlachende vrouw van de Florentijn Francesco del Giocondo, tot dan toe alleen bekend bij de elite, een wereldwijde beroemdheid. Wat ook hielp was dat kranten juist afbeeldingen en kleurenreproducties begonnen af te drukken. De Mona Lisa werd door de diefstal een ster.

Ook de voorlopers van deze krant, het Algemeen Handelsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) deden verslag van de diefstal en de jarenlange zoektocht naar het schilderij. Aan de hand van die verslagen een reconstructie van de verdwijning van de Mona Lisa.

Het Algemeen Handelsblad schreef op 23 augustus onder het kopje ‘Schilderij verdwenen’: „[Persbureau] Reuters seint uit Parijs: Het is gebleken, dat de Gioconda van Leonardo da Vinci verdwenen is uit het Louvre-museum. De prefect van de politie heeft last gegeven tot sluiting van het museum. Men veronderstelt, dat de diefstal een misplaatste grap is.” Voor de later die dag verschijnende NRC was het voorpaginanieuws, onder de kop ‘De Gioconda gestolen’: „De diefstal van het beroemde schilderij in het Louvre heeft begrijpelijkerwijze een hevige consternatie gewekt. Zij die het onderzoek leiden […] spreken de overtuiging uit, dat het kunststuk is weggenomen door ene maniak. De lijst en het glas, spoedig teruggevonden, bleken in het minst niet beschadigd. […] Natuurlijk is het geheele museum van onder tot boven doorzocht door detectives. […] Wat heeft de dief aan dit wereldvermaarde kunststuk? De mogelijkheid dat een vreemde kunstehandelaar het stuk zal koopen, acht men uitgesloten. […] Onze correspondent te Parijs seint nog: Hedenmorgen weet men nog steeds niets omtrent het lot van de Gioconda. Zelfs weet men niet wanneer het doek gestolen is. […] De ochtendpers brengt enkel onderstellingen en heftige kritiek op de organisatie, de bewaking en de plaatsing van het kunstwerk in het Louvre.”

Uit de lijst wippen

Die kritiek leek gerechtvaardigd: de Mona Lisa hing in een lijstje achter glas aan een paar haakjes. Het schilderij op een houten paneel van 77 bij 53 cm was zo van de muur te halen en uit de lijst te wippen. Bovendien mochten fotografen van het museum kunstwerken van de muur halen om te fotograferen. Toen dinsdagochtend 23 augustus de Mona Lisa door bezoekers niet aangetroffen werd, dacht de museumleiding dat het in het fotoatelier was. Pas toen bleek dat het daar ook niet was, werd alarm geslagen. Het museum werd gesloten en ontruimd. Het bleef een week dicht. Er werd overal gezocht, bewakers werden ondervraagd. Maar de Mona Lisa bleef weg. Losgeld werd ook niet geëist.

Terwijl de kranten kritische vragen stelden, grappen maakten en afbeeldingen van de Mona Lisa afdrukten, volgde de Parijse politie ieder mogelijk spoor. Een van die sporen leidde naar twee rebelse moderne kunstenaars: de jonge Pablo Picasso en zijn vriend, de dichter Guillaume Apollinaire. Zij hadden uit het Louvre gestolen prehistorische Iberische beeldjes in hun bezit – Picasso gebruikte de oren als inspiratie voor zijn eerste kubistische schilderij Les Demoiselles d’Avignon.

Toen de Franse pers er lucht van kreeg dat beide heren uit het Louvre gestolen kunstwerken bezaten, werden zij verdacht: misschien waren zij een kunstdievenbende die ook de Mona Lisa gestolen had. De twee probeerden de gestolen beeldjes nog in de Seine te gooien, maar durfden dat toch niet. Apollinaire werd gearresteerd en in de cel gezet. Ook Picasso moest voor de rechter komen. Hij ontkende Apollinaire te kennen. Ze werden, in de zomer van 1911, uiteindelijk niet schuldig aan de diefstal van de Mona Lisa bevonden, en waren vrij man. Maar de vriendschap was voorbij.

De Mona Lisa bleef onvindbaar, van de dader(s) ontbrak ieder spoor. De zaak bloedde dood. Totdat in november 1913 een antiekhandelaar in Florence, Alfredo Geri, een briefje uit Parijs kreeg. De schrijver noemde zichzelf Leonardo. Hij schreef: „Ik heb het gestolen werk van Leonardo da Vinci in mijn bezit. Het lijkt me toe te behoren aan Italië, want de schilder was een Italiaan. Ik droom ervan om dit meesterwerk terug te geven aan het land waar het vandaan kwam en waar het is ontstaan.”

Dat citeert R. A. Scotti in haar boek De verdwenen Mona Lisa, De mysterieuze verdwijning van Da Vinci’s meesterwerk (Bruna, 2009). Geri liet de brief lezen aan de directeur van het Uffizi-museum, en ze nodigden de briefschrijver uit. Die haalde in een hotel (tegenwoordig Hotel Gioconda, via Panzani, meldt D. Sassoon in zijn boek Mona Lisa uit 2002) het paneel tevoorschijn. Hij had het zelf gestolen en wilde het voor 500.000 lire onkostenvergoeding wel geven. De beide Florentijnen mochten het schilderij meenemen om te onderzoeken of het echt was. Ze kregen het mee van de 32-jarige Italiaanse huisschilder Vincenzo Peruggia, die in Parijs woonde. Het craquelé (de barstjes in de verf) bewees dat het om de echte Mona Lisa ging. De politie werd ingeschakeld en de dief werd ingerekend. De Mona Lisa was terecht.

Opnieuw stonden de kranten er vol van, en in Italië werd het kunstwerk in verschillende steden getoond aan enthousiaste menigten. Maar de Mona Lisa was ooit door Da Vinci’s laatste opdrachtgever, de Franse koning Frans I gekocht, en dus geen Italiaans bezit. Het werd teruggegeven aan het Louvre, waar het 4 januari 1914 weer op zaal hing – nu beter bewaakt. Kruimeldief Peruggia, die het paneel in 1911 onder zijn jas had gestopt, kreeg een jaar celstraf in Italië.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant smaalde over het Franse politiewerk: men had in augustus 1911 Peruggia ondervraagd, omdat hij in de werkplaats van het Louvre aan de lijst van de Mona Lisa gewerkt had. De rechercheurs vergaten zijn kamer te doorzoeken, waar het schilderij in de kast lag: „Ach de befaamde hondenneus, het ‘flair’ der rechercheurs. Mona Lisa stond daar, misschien op een meter van hem af, achter een deur van een kast, te glimlachen, misschien wel te gieren van het lachen; maar de slimme detective hoorde er niets van en kwam zelfs niet op de gedachte eens goed rond te kijken.”

    • Paul Steenhuis