Zet ze toch gewoon bij elkaar in de klas. Daar leren ze van

Het klopt dat de hersenen van jongens zich anders ontwikkelen dan die van meisjes. Is dat een reden om het onderwijs te scheiden naar sekse? Nee, stelt Lauk Woltring. Het ligt meer voor de hand om leerlingen in te delen naar leerstijlen, of naar intelligentietypen.

Illustraties Sebe Emmelot

Moeten jongens en meisjes van elkaar worden gescheiden in het onderwijs? Recentelijk werd dit oude debat nieuw leven ingeblazen door voorzitter Wim Kuiper van de Besturenraad, de besturenvereniging van het christelijk onderwijs. Deze keer vormden de achterblijvende resultaten van jongens in het onderwijs de aanleiding. Kuiper deed een beroep op inzichten uit de neurowetenschappen. Die zouden uitwijzen dat jongens baat hebben bij gescheiden lessen.

Experimenten met gescheiden lessen, begeleid door goed onderzoek, zijn natuurlijk prima. Toch denk ik dat Kuipers voorstel louter een organisatorische maatregel is.

Ik plaats enkele kanttekeningen:

1De verschillen tussen jongens onderling en meisjes onderling zijn soms groter dan de verschillen tussen de gemiddelde jongen en het gemiddelde meisje. De ‘bandbreedte’ wat betreft gedrag en leerstijlen is groot.

Veel jongens zullen zich in een klas met alleen jongens niet op hun gemak voelen en sommige meisjes evenmin in een klas met alleen meisjes. Sommige jongens en meisjes zijn bridge brains. Dit is een term van de Amerikaanse schrijver en sociaal-psycholoog Michael Gurian. Bridge brains beschikken niet over een typisch jongens- of meisjesbrein, maar zweven ertussenin. Volgens Gurian gaat dit op voor een op de zeven jongens en een op de vijf meisjes.

2De hersenontwikkeling van jongens tussen de twaalf en zestien jaar zou twee jaar achterlopen op die van meisjes, aldus de voorstanders van gescheiden onderwijs.

Dit kun je niet zo stellen. Jongens zijn wat beweeglijker en aanvankelijk kwetsbaarder dan meisjes. Het grootste deel van hun neurale rijping verloopt wat langzamer dan die van meisjes. Ze staan vooral voor andere opgaven. Op sommige gebieden vertonen zij doorgaans enige voorsprong – visueel-ruimtelijke inschatting, experimenterend leren, durf, uitproberen. In aanleg aanwezige vermogens, eigenschappen of neigingen worden evenwel pas vaardigheden onder invloed van de omgeving: het gezin, de school en andere sociaal-culturele factoren.

3Meisjes ontwikkelen hun actieve en passieve taalvermogen sneller, net als het vermogen om zich te verplaatsen in anderen – empathie – en navenant hun sociale vaardigheden. Zij willen het graag goed doen in de ogen van anderen en aardig worden gevonden. Dit is onder meer het effect van oxyticine, ook wel het hechtings- of bindingshormoon genoemd. Jongens beschikken hier ook over, maar minder. Ook werkt het bij hen mogelijk wat later.

Meisjes weten ook eerder hoe ze moeten plannen, doordat hun frontale cortex sneller rijpt. Dit wordt overigens deels gestuurd door bezorgdheid en om veiligheidsredenen – als iets hun moeilijk lijkt, maken ze een plannetje. Dit is prima, maar soms overdreven. Het gevolg is dat meisjes wat minder improviseren. Risico’s nemen is niet hun sterkste kant. Ze zijn geneigd om problemen eerder talig en in onderlinge afstemming op te lossen. Daarin zijn ze immers goed. Dit kan leiden tot te veel wenselijk sociaal gedrag, of zelfs tot ‘de krabbenmand’ – ze beperken elkaar en bezigen subtiele, maar daarom niet minder schadelijke uitsluitingsmechanismen.

Het risico is dat meisjes andere oplossingsstrategieën – zoals experimenteren met durf, ruimtelijk visueel denken, systematisch denken en abstract mentaal fantaseren – niet of onvoldoende ontwikkelen. Hun voorkeursstrategie – praten, sociale uitwisseling – volstaat en wordt het meest beloond en gestimuleerd.

4De talige vermogens van jongens ontwikkelen zich wel, maar minder snel dan die van meisjes. De eerste woordjes komen ongeveer op dezelfde leeftijd als bij meisjes, maar hun woordenschat ontwikkelt zich langzamer. Dat wat op hen afkomt (prikkels van buiten), of dat wat in hen opkomt, vertalen ze minder snel in talige beelden en eerder in visueel-ruimtelijke beelden. Dit koppelen ze aan fysieke oplossingen, ook al omdat zij beweeglijker zijn. Dit is onder meer het effect van testosteron. Jongens zijn sneller geneigd om iets meteen te doen in plaats van om er eerst over te praten. Uiteindelijk neigen de meesten naar trial and error. Ze verkennen grenzen. Ze kijken hoe ver ze kunnen gaan. Ze halen iets uit elkaar – „slopen!” – om het te onderzoeken. Daarna proberen ze het weer – anders, slimmer – in elkaar te zetten. Ze denken systematischer en ruimtelijker. Ze abstraheren.

Taal dringt niet alleen fysiek minder door (jongens hebben iets meer geluidsniveau nodig en praten zelf meestal ook harder), maar het kost in hun brein ook meer schakeltijd, ‘rekentijd’ en energie om zich te realiseren wat iemand bedoelt. Jongens moeten het eerst visueel maken en dat vertalen in hun gedrag. Deze weg is langer dan de weg die meisjes afleggen.

Jongens worden vooral talig gecorrigeerd, vaak met een toon die hun veiligheidssysteem activeert. Wat doe ik fout? Moet ik vechten? Moet ik vluchten? Moet ik bevriezen? Sommigen ontwijken volwassenen of sluiten zich zelfs af voor taal die niet is afgestemd op hun denk- en doewereld. Zij denken: „Eerst moet je in woorden uitleggen en verantwoorden wat je doet en dan krijg je op je donder… Alles wat je zegt, kan tegen je worden gebruikt.” Op deze manier ontwikkelen ze juist niet hun broodnodige talige vermogens.

Hun systematische denken, dat uiteindelijk ook kan leiden tot plannen en structureren, ontwikkelt zich pas gaandeweg. Aanvankelijk zijn jongens – alweer: gemiddeld – een stuk beweeglijker. Ze zijn impulsiever. Ze zijn uit op het effect van hun gedrag, met een zekere voorkeur voor het spectaculaire.

Jongens staan voor de opgave om de gevolgen van hun experimenterende en vaak meer impulsieve gedrag te beseffen en om hun energie in goede banen te leiden. Het heeft geen zin als ze hiertoe worden verplicht door anderen. Ze moeten het zelf doen. Dit kan door adequate begeleiding, door grenzen te stellen en door feedback te geven, die soms confronterend kan zijn, maar zonder hen te degraderen. Hiervoor hebben ze behalve voorbeelden – het zou goed zijn als meer mannen in het onderwijs zouden werken – juist ook taal nodig. Door een motief of ervaring in taal om te zetten, krijg je een andere blik op wat je doet. Reflectie is grotendeels talig. Door iets in begrippen te formuleren, krijg je er meer grip op.

5Meisjes groeperen op hun gemiddelde voorkeursgedrag – talig, sociaal – kan ertoe leiden dat ze te weinig worden uitgedaagd tot andere mogelijkheden. Meisjes presteren in het bijzijn van jongens inderdaad soms anders – lager – dan onder elkaar, al kunnen ze ook elkaar omlaaghalen. Andere oplossingen zijn denkbaar dan het bij elkaar zetten van meisjes. Zo kunnen ze assertiviteitstrainingen krijgen. Ook is het goed om met meisjes en jongens te praten over het verschil in gedrag tussen jongens en meisjes en hoe ze op elkaar reageren.

Als je jongens bij elkaar zet op hun eerste voorkeur – doen, experimenteren, hooguit kort instrumenteel taalgedrag, systematiseren – en hun veel structuur biedt in plaats van hen uitdaagt om zelf gestructureerd gedrag te ontwikkelen, kan dit ertoe leiden dat je hun noodzakelijke ‘talige’ en sociale ontwikkeling en hun vermogen om zelf te plannen te weinig stimuleert.

Voorkeursleerstijlen van jongens en meisjes zijn ook niet gedurende de hele ontwikkeling dezelfde. Leerlingen scheiden naar sekse kan dus averechts werken. Meisjes en jongens kunnen veel van elkaar leren. Ze hebben elkaar nodig. De wereld bestaat uit mannen en uit vrouwen. Rollen en posities verschuiven snel.

Hoe moet het dan wel? Je kunt leerlingen af en toe groeperen naar leerstijl. Als indelingscategorieën kun je denken aan talig versus visueel, systematisch versus abstract of aan een indeling naar intelligentietype. Zo onderscheidt psycholoog Howard Gardner van de Harvard-universiteit acht soorten intelligentie. Het is prima dat dan af en toe groepjes ontstaan waarin meer jongens of meer meisjes zitten, maar hou de indeling flexibel.

Ook in gemengde lessen kan aandacht worden besteed aan de specifieke interesse van jongens en meisjes. Zo kunnen de voorbeelden bij de taalvakken en bij wiskunde specifiek worden geënt op jongens of op meisjes. Confronteer beide seksen met beide soorten voorbeelden. Lees klassikaal een interview met een mannelijke of vrouwelijke ruimtevaarder, een dokter en een mannelijke of vrouwelijke verpleger. Maak klassikaal een handleiding voor babyverzorging en voor een computerprogramma. Geef sommen aan beide seksen zowel in taalvorm als in formules. The sky is the limit.

Los het probleem van de achterstand van jongens dus niet administratief op, maar met op hen gerichte lesmethoden. Daarbij zijn gevarieerde leerstijlen noodzakelijk. Het gaat niet alleen om de resultaten, om cijfers voor taal of wiskunde, maar om de bredere ontwikkelingsopgaven waarvoor jongens en meisjes staan.

Meisjes staan voor de taak om af en toe ongewisse taken aan te vatten – om te experimenteren. Het hoeft niet bij voorbaat perfect te gaan. Maak eens een paar interessante blunders. Leer daarvan.

Jongens staan voor de opgave om hun eigen energie, die aanvankelijk impulsief is en is gericht op de korte termijn, te leren reguleren – niet door dwang, maar door stapsgewijs verder vooruit te kijken. Geef hun bijvoorbeeld eerst huiswerk voor een dag. Vraag daarna wie het aandurft om huiswerk voor twee dagen mee naar huis te nemen. Wie dat voor elkaar krijgt, mag proberen om het huiswerk drie dagen vooruit te plannen. Lukt het niet, dan is het geen ramp. Dan schakelen we weer even een stap terug, totdat het wel lukt.

Maak jongens en meisjes trots. Stimuleer hun eigen motivatie. Respecteer het gedrag dat ze graag vertonen. Daarmee krijgen leerlingen zelfvertrouwen. Zo bouw je als leraar het krediet op om nieuwe zaken aan te boren. Alleen op die manier kunnen jongens én meisjes zich ontwikkelen tot veelzijdige volwassenen.

Lauk Woltring is onderzoeker, adviseur en coach. Hij is gespecialiseerd in de opvoeding van en onderwijs aan jongens. Zie www.laukwoltring.nl

    • Lauk Woltring