Vlaamse psychiaters spuiten vaker

Stel u bent psychiater. U heeft een ernstig suïcidale patiënt van 65 die sinds haar vijftiende onsuccesvol wordt behandeld met alle denkbare therapieën. Geen middel bleef onbeproefd. Ze is apathisch, sociaal geïsoleerd, diep somber en wil al jaren dood. Na het overlijden van haar partner werd dat verlangen sterker. U zou haar medicatie kunnen verhogen. Maar dan verandert ze in een zombie. Ze vraagt euthanasie. Geeft u die?

Deze vrouw is één van de slechts twee bekende gevallen van psychiatrische patiënten wier euthanasieverzoek in Nederland werd ingewilligd. Haar vraag werd in 2008 als redelijk en invoelbaar beoordeeld, haar lijden als ondraaglijk en uitzichtloos. Reële behandelopties waren er niet meer, na een leven van mislukte opnames en falende therapie. „Levenshulp was niet langer mogelijk.” En dus werd het stervenshulp.

Het voorbeeld komt uit het augustusnummer van het Tijdschrift voor Psychiatrie. Tegenover de twee Nederlandse gevallen sinds 2002 blijken 52 door artsen gedode psychiatrische patiënten in Vlaanderen te staan. Volgens J. Vandenberghe, psychiater in Leuven, is dat nog een onderschatting van het werkelijke aantal. Slechts de helft van alle Vlaamse gevallen van euthanasie pleegt te worden gemeld.

De vraag naar een spuitje onder psychiatrische patiënten is groot. De Nederlandse psychiaters A. de Boer en T. Oei, hoogleraar forensische psychiatrie, schatten het aantal verzoeken sinds 2002 op ongeveer 2.000. Uit deze groep zouden vijftig patiënten jaarlijks suïcide plegen, op een „dikwijls gruwelijke, en ook voor anderen gevaarlijke” manier. De Nederlandse psychiatrie staat er bij en kijkt ernaar, zo lijkt het.

De twee gevallen uit 2008 betekenden voor Nederland volgens De Boer en Oei een ‘cultuuromslag’. Zou dat waar zijn of blijven het uitzonderingen? Waarom is de psychiatrie in Vlaanderen eigenlijk minder terughoudend? Wie het weet mag het zeggen. Vandenberghe zegt dat Vlaamse psychiaters euthanasie plegen op patiënten met de ziekten van Huntington of Alzheimer. Maar ook op patiënten met depressies, psychosen en zeer ernstige persoonlijkheidsstoornissen.

Als criterium voor euthanasie geldt in beide landen uitzichtloos en ondraaglijk lijden, waarbij de autonome keuze van de patiënt vooropstaat. Maar de vraag of een psychiatrische patiënt in staat is om zijn wil te bepalen ligt ingewikkeld. Volgens Vandenberghe ondergraaft de psychiater die uitzichtloosheid erkent, zo een van zijn belangrijkste therapeutische middelen. Namelijk „de hoop en de gerichtheid op het leven. Is het niet onze taak de hoop levend te houden, ook en vooral wanneer de patiënt dit zelf niet meer kan zien?” Dat is de kernvraag, die zichzelf beantwoordt.

Uitzichtloosheid in de psychiatrie is ook niet evident. Bij persoonlijkheidsstoornissen is het verloop van de aandoening onzeker. „Hebben we niet allemaal patiënten meegemaakt die na ondraaglijke jaren, zelfs decennia met schijnbaar uitzichtloos lijden, toch weer door het leven gegrepen worden?” vraagt Vandenberghe.

Ook in het geval van de vrouw die na vijf decennia behandeling uitgeput was, is de vraag naar wilsbekwaamheid gewettigd. Kwam haar keuze voort uit „behandelbare psychiatrische onvrijheid”? Of eenvoudiger gezegd, is ‘ik wil dood’ niet een symptoom? Volgens De Boer en Oei is ondraaglijkheid evident als de patiënt dat zelf zegt en de arts constateert dat de patiënt „gedurende zeer lange tijd beheerst wordt door een doodsverlangen dat alle vitale functies ondermijnt”. Ook zij zien het criterium uitzichtloosheid als groot probleem. Daaraan is voldaan wanneer alle behandelingsmogelijkheden zijn uitgeput „die de patiënt kan verdragen”. Een psychiater moet geruime tijd hebben onderzocht of met medicatie de toestand enigszins draaglijk te maken valt. Maar zekerheid over het totaal ontbreken van uitzicht op verbetering is er niet. Ook zij erkennen „de kracht van de natuur” en de mogelijkheid van „spontane schommelingen van het ziektebeeld”. Wat vandaag uitzichtloos is, kan morgen nog best te doen zijn. Maar dan kan het te laat zijn. In Vlaanderen dus eerder dan hier.

Folkert Jensma