Stel, we trekken het gordijn open, wat gebeurt er dan?

Een redacteur van deze krant mocht voor één keer het gordijn van de vuurtoren van Scheveningen opentrekken. Een uur lang scheen een lamp van 2.000 watt over het dorp. Wie in een flat woont, weet dat niet te waarderen.

De vuurtoren op Scheveningen, die daar sinds 1875 staat, schijnt zijn licht tegenwoordig alleen aan de zeezijde. Foto's Dick Teske Scheveningen. De Scheveningse vuurtoren met zijn lichtstralen over de zee .Foto Dick Teske,

Het licht van de vuurtoren moet weer over Scheveningen schijnen, vindt Joke Damen. „Wat is er mooier dan het licht van een authentieke vuurtoren in het dorp? Het is een baken. Het geeft een prettig gevoel. Vroeger viel ik bij het licht in slaap. In plaats van schaapjes te tellen, telde je de lichtbundels in de slaapkamer. Twee per tien tellen.”

Joke Damen is een van de opstellers van een petitie waaraan ruim tweeduizend mensen hun steun hebben betuigd. Ruim voldoende om de gemeenteraad van Den Haag ertoe te bewegen de kwestie binnenkort te bespreken. Enkele raadsleden hebben alvast hun sympathie voor het idee uitgesproken.

Sinds ruim veertig jaar hangt er een gordijn in het rijksmonument om de landzijde tegen het felle licht te beschermen. „Toen zijn de mensen al gaan ouwehoeren”, vertelt vuurtorengids Hans van den Heuvel. Hij heeft geen uitgesproken mening over de kwestie. „Het kan mij niet schelen.” In de loop der jaren is het gordijn steeds verder dichtgeschoven, zodat het licht nu alleen vanaf zee goed te zien is. Echt noodzakelijk is dat niet, want vanaf zee is een brandende vuurtoren wel een mooi oriëntatiepunt, maar navigeren op vuurtorens doen meestal alleen nog recreanten.

We beklimmen de toren om tien uur ’s avonds. Een lamp van 2.000 watt reikt, mede dankzij de hoogte en de speciale lenzen, een kleine vijftig kilometer over zee. Bij een draaiing van tien tellen komt de bundel op de zevende en de tiende tel langs.

Stel dat we het gordijn opentrekken. Wat is daarvan het effect? We vragen toestemming van de gids en wagen het erop. De lichtbundels zoeven over de eindeloos klotsende zee én over de huizen op Scheveningen. Scherend over de daken en schuivend langs de dorpskerk. Dansend op daken en knallend in huiskamers. De bundels slaan een klein stukje over, gestuit door een gietijzeren paneel in het lichthuis, en beschijnen vervolgens weer de haven en de visafslag, de terrassen op de boulevard. „Mooi hè”, verzucht Joke Damen.

Tegenstanders van het plan zijn er ook. We haasten ons naar een appartementengebouw in de omgeving. Daar zitten Fred en Olly Westen in een door flitsen verlichte huiskamer. „Waar is dit goed voor?” vragen ze zich af.

Ze kennen het nostalgisch verlangen onder Scheveningers naar vuurtorenlicht. Maar hier zien ze de lol niet van in. „Nostalgie? Moeten de bomschuiten dan ook maar terug op het strand?”

Op de visitekaartjes van Fred Westen staat de vuurtoren afgebeeld. „Wij hebben niets tegen de vuurtoren”, zegt hij. „Maar als het gordijn verdwijnt, zullen veel Scheveningers de volle laag krijgen. Als die de consequenties hadden overzien, dan hadden ze de petitie niet getekend.”

Na een klein uur schuift de vuurtorengids het gordijn weer toe. De volgende ochtend belt een ongeruste Scheveninger naar de krant. „Ik zat gisteravond in flitslicht, als in een discotheek”, vertelt een geschrokken Jan Oosterdijk, bewoner van een appartementengebouw in de omgeving.

Alsof iemand met een zaklantaarn recht in je gezicht schijnt? „Precies! We hadden er zoveel hinder van, dat we de jaloezieën neer moesten laten.”

Oosterdijk vindt de argumenten voor het licht niet deugen. „De essentie ontgaat me. Het is grotesk om dat licht over de hele stad te laten schijnen uit nostalgische gevoelens. Dat argument is te dun.”

Veel tegenstand komt volgens Joke Damen van „nieuwkomers” op Scheveningen. „Mensen die in dit vissersdorp komen wonen en vervolgens klagen dat ze vis ruiken of dat schepen warm liggen te draaien in de haven. Dat zijn ook de mensen die ervoor hebben gezorgd dat de misthoorn is verdwenen en dat er een gordijn in de vuurtoren hangt.”

Niet waar, zegt Jan Oosterdijk: „Ik woon in de geur van een visrokerij. Ik hoor aggregaten van schepen. Maar daar hoor je mij niet over klagen.”

Wellicht is een compromis mogelijk. Door het licht in een andere hoek over de stad te laten schijnen bijvoorbeeld. Ook zouden mensen die er last van hebben, hun eigen gordijnen kunnen sluiten.

Fred Westen: „Moeten wij met dichte gordijnen zitten? Onze ramen verduisteren zoals in de oorlog? Nee, dan kun je toch echt beter de bron aanpakken.”