Sinds het verdriet van Utøya is dit land niet meer zo zelfvoldaan

Noren spreken van de periode voor en na 22 juli. Voor de aanslagen van Anders Breivik was Noorwegen in zichzelf gekeerd. Daarna ging het welvarende land op zoek naar zichzelf. ‘We hebben de rest van de wereld niet nodig.’

Op het eiland Utoya schoot rechts-extremist Anders Behring Breivik op 22 juli 69 jongeren dood. Er is nu een gedenkplek ingericht. Foto Bernadette de By

Tok. Tok. Tok. Tok. Op een windstille dag weerkaatsen de geluiden van Utøya naar het vaste land. Het Noorse eiland ligt op zo’n zevenhonderd meter van de wal, maar met vlak water hoor je wat er aan de overkant gebeurt. De afgelopen dagen werden werklui met veerboot MS Thorbjørn naar Utøya vervoerd. Dezelfde boot die Anders Behring Breivik op 22 juli naar het eiland bracht.

Dit weekend bezoeken nabestaanden en overlevenden de plekken waar Breivik vorige maand een oorlog tegen de islam wilde ontketenen. De rechts-extremist vermoordde in korte tijd 77 landgenoten: acht met een bom in het centrum van Oslo, 69 met vuurwapens op Utøya. Het zal nog maanden duren voordat de Noorse hoofdstad op orde is. Maar op Utøya verlopen de herstelwerkzaamheden vlot. Kogelgaten werden netjes weggewerkt. De modderige paden waarover jonge socialisten probeerden weg te vluchten, zijn bedekt met een dikke laag grind.

De Noren lijken van de eerste schrik bekomen. Er wordt weer volop geshopt in Karl Johans Gate, de belangrijkste winkelstraat van Oslo. Maandag keren scholieren terug van hun zomervakantie. En sommigen menen dat de nachtmerrieachtige taferelen die zich op Utøya voltrokken, snel uit het collectieve geheugen zullen zijn gewist. „Ik geef het twee maanden”, zegt burgerwacht Frode Røstvang, wachtend op vervoer naar Utøya. De afgelopen weken zorgde Røstvang ervoor dat ongenode gasten van het eiland werden geweerd.

We moeten voorzichtig zijn met het interpreteren van ‘22/7’. Dat vindt filosoof Henrik Syse, die aan het Peace Research Institute in Oslo onderzoek doet naar ethische vraagstukken rond oorlogvoering. „Belangrijke gebeurtenissen kunnen soms onbelangrijke oorzaken hebben”, citeert hij de Noorse politicoloog Jon Elster. „Het gaat om één individu. Ik vraag mij af of Breivik met zijn daad een hele maatschappij in beweging kan brengen.”

Een grote groep Noren denkt daar anders over. Zij spreken van de periode voor en na 22/7. Voor de aanslagen was Noorwegen in zichzelf gekeerd. Zelfvoldaan. Na de aanslagen ging het land op zoek naar zichzelf. De Noren die bereid zijn tot zelfonderzoek proberen het van de positieve kant te bekijken: Breivik heeft Noorwegen – ongewild – naar een hoger niveau getild.

Dat Noorwegen er bovenop komt staat wel vast. Dat lukte New York ook na de terroristische aanslagen van 9/11. En Madrid na 11/3. En Londen na 7/7. Belangrijker dan de vraag of Noorwegen zich van deze zware klap herstelt, is de vraag hoe. Gaat het land zich beter beschermen tegen mensen met een afwijkende mening of achtergrond? Of zullen de Noren juist meer moeite doen mensen als Breivik te begrijpen?

De aversie tegen vreemdelingen kan snel omslaan in woede. Dat bleek toen autochtone Noren op 22 juli moslims uit bussen sleurden en in het gezicht spuwden. Tussen half vier in de middag – toen de bom in het centrum van Oslo ontplofte – en kwart voor tien ’s avonds gingen velen ervan uit dat het om een terreuractie van moslimextremisten ging. Die angst werd gevoed door een mededeling van de Noorse staatsomroep NRK dat een onbekende groep – de ‘Helpers van de globale Jihad’ – de aanslag had opgeëist. „Mijn ouders vreesden voor mijn leven”, zegt de Tunesische kioskhouder Amira Jemmali, die twee weken voor de aanslagen het besluit nam een niqaab te dragen. Ze blééf hem dragen – met gemengde reacties.

De Noren zijn geschrokken van de vergeldingsacties. Ze hebben „hun bekrompen denkbeelden onder het vergrootglas gelegd”, legt de Noorse schrijver Erik Fosnes Hansen uit op het terras van het Litteraturhuset in Oslo. „Met het schaamrood op de kaken moesten ze erkennen dat moslims goede burgers zijn.”

Na de woede volgde de uitgestoken hand. De grote moskee in Oslo opende de dag na de aanslagen haar deuren voor niet-moslims. Imams gingen op bezoek bij kerkelijk leiders om hun medeleven te betuigen. En de Islamitische Raad van Noorwegen stuurde een persbericht: ‘Een aanval op Noorwegen is ook een aanval op het geboorteland van haar immigranten.”

Ook de Noorse premier, Jens Stoltenberg, sloeg een pacificerende toon aan. Als een goed leidsman riep hij zijn burgers op „wijsheid en respect” te tonen. „We moeten beter stilstaan bij wat we denken, zeggen en schrijven”, zei hij kort na de aanslagen, verwijzend naar de harde toon in het immigratiedebat. De premier beloofde zelf het goede voorbeeld te geven.

Die kalme toon leverde Stoltenberg veel lof op. De cijferspecialist had de Noren met zijn gebroken stem nieuwe kracht gegeven. Als iemand als Stoltenberg – die in zijn jeugd het politieke zomerkamp op Utøya bezocht en veel van de omgekomen kinderen kende – liefde predikt, konden zijn landgenoten dat ook.

Maar een maand na de aanslagen heeft een deel van de Noren genoeg van zijn aanpak. Ze vinden dat Stoltenberg gevoelens van woede en zinloosheid toedekt – als een wond die te stevig wordt dichtgeplakt. En ze willen dat hij ophoudt reclame te maken voor ‘onze geweldige democratie’. „Het is niet bon ton om die kritiek openlijk te uiten”, vertelt de in Noorwegen woonachtige traumaspecialist Judith van der Weele. „Maar in vertrouwelijke gesprekken hoor ik dit soort geluiden vaak.”

Net als Stoltenberg houden veel Noren zich op de vlakte. Ze denken en voelen van alles, blijkt uit een groot aantal gesprekken in Oslo, maar durven daar geen uiting aan te geven. Tekenend is dat ook Noorse journalisten zichzelf beperkingen opleggen. Zo zijn zij beducht aandacht te besteden aan het hardnekkige gerucht dat Eskil Pedersen, de leider van de Jonge Socialisten, als eerste Utøya verliet. Pedersen zou het eiland per veerboot hebben verlaten nadat Breivik zijn eerste schoten had gelost. Hij zou samen met een handvol jongeren zijn vertrokken, op een boot die zestig mensen kan vervoeren. Ze deden geen pogingen hulpbehoevenden op te pikken.

Hoe gaan Noren om met dit soort pijnlijke verhalen? Volgens kunstenares Randi Flaamo hebben ze dezer dagen zo hun eigen manier om uiting te geven aan hun gevoelens. „Met 200.000 mensen tegelijk steken wij een roos de lucht in als ode aan het leven. En bij herdenkingsconcerten luisteren wij samen naar heftige muziek, zoals de Negende Symfonie van Beethoven.”

Judith van der Weele meent dat Noren niet goed weten hoe zij trauma’s moeten verwerken. „De traumahulpverlening staat in Noorwegen nog in de kinderschoenen. En juist nu is deskundige begeleiding van groot belang.” Eerder deze week bereidde Van der Weele de leerkrachten van een middelbare school voor op de eerste schoolslag na ‘Utøya’. Vier leerlingen van de Oslo katedralskole waren getuige van de slachting op het eiland, één ex-leerling – door velen als toekomstige premier getipt – werd er omgebracht. Hoe maken wij deze zaken bespreekbaar, wilden de docenten van Van der Weele weten. En: wat kunnen wij verwachten?

In een zaaltje van de luxueuze spa Farris Bad in Larvik vertelt Van der Weele de leerkrachten wat er vanaf maandag gaat gebeuren. Ze toont een filmpje van een jonge Libanese vluchteling die zijn ouders en broers verloor. Als hij in zijn nieuwe thuisland Zweden gepest wordt, voelt het alsof hij weer midden in een oorlogssituatie zit. „Reageer rustig als leerlingen het drama op Utøya herbeleven”, houdt Van der Weele haar publiek voor. „Het is hun goed recht te klagen. Laat zien dat je begrijpt dat ze door een hel gaan.”

In een welvarende consensusmaatschappij met relatief weinig immigranten lijkt het niet gepast om te klagen. En dus verbaast het velen dat de rechtse Fremskrittspartiet twee jaar geleden 23 procent van de stemmen trok. Fel debatteren over politiek incorrecte onderwerpen is iets van de laatste jaren. Zaken als spreidingsbeleid, vrouwenbesnijdenis en het hoofddoekjesverbod zijn in Noorwegen nog niet zo lang bespreekbaar. Iedereen kent iedereen in een land met vijf miljoen inwoners. Wie vandaag je vijand is kan morgen je baas zijn.

Zullen de gebeurtenissen van 22 juli het politieke landschap in Noorwegen veranderen? Ketil Solvik-Olsen, parlementslid voor de Fremskrittspartiet, denkt van niet. Bij de komende gemeenteraadsverkiezingen zal de Arbeiderspartij misschien extra kiezers trekken, maar op de landelijke verkiezingen van 2013 hebben de aanslagen volgens hem geen effect. Solvik-Olsen: „Ik verwacht wel dat politici hun toon gaan matigen. Zij zullen ervoor waken om te generaliseren.” Ook zijn eigen Fremskrittspartiet? „Ja. Goed geïntegreerde immigranten mogen niet langer over één kam worden geschoren met moslimfundamentalisten.”

Het optreden van twee Tsjetsjeense jongens op Utøya past niet in het stereotype beeld van de vreemdeling. In een interview met Dagebladet vertelden Måvsar en Rustam deze week hoe zij de moordpartij hebben overleefd. Met een derde Tsjetsjeen bekogelden zij Breivik met stenen. Toen de schutter hun vriend door het hoofd schoot, trokken zij zich terug in een grot. „We hebben 23 kinderen in die grot getrokken”, vertelt Måvsar. „Soms met zachte dwang.” Breivik kon hun actie niet waarderen. Fucking nigger, zou hij Måvsar hebben toegeworpen.

Noren zijn sinds 22 juli door drie fasen gegaan. Na de woede volgden de pacificatie en het keurslijf. Volgens schrijver Roy Jacobsen staat zijn landgenoten niets anders te doen, dan zich zich daar aan te ontworstelen. „Niet makkelijk”, geeft hij toe „want Noren lijden aan wat in de psychiatrie normalcy bias wordt genoemd. Ze onderschatten de mogelijkheid van een ramp en de effecten ervan. Mij valt op hoe veel mensen de naweeën van de aanslagen van 22 juli proberen te rationaliseren. In plaats van ons kwetsbaar op te stellen, kruipen wij in onze schulp. Noren hebben de rest van de wereld niet nodig.”

Noorwegen wordt wel het Saudi-Arabië van het noorden genoemd: het land is steenrijk. Het is het enige westerse land dat volledig schuldenvrij is en bovendien flinke reserves heeft opgebouwd. Bijna een halve eeuw geleden werd voor de Noorse kust olie ontdekt. Het land beschikt daardoor over een oliefonds van 385 miljard euro. Toen staatsoliebedrijf Statoil vorige week twee olievelden in de Noordzee aantrof – de grootste Noorse olievondst in dertig jaar – haalde menig inwoner van Noorwegen zijn schouder op. Een miljard euro meer of minder, wat zou het?

Die enorme welvaart heeft het gevaar van verkwisting in zich. In Kristiansand, een gemeente met 82.000 inwoners, wordt een theater-annex-concertzaal gebouwd ter waarde van 200 miljoen euro. Door het hele land worden vierbaanswegen aangelegd, zelfs in delen waar weinig mensen wonen. „Het wordt tijd voor herbezinning”, vindt voormalige schaatsheld Johann Olav Koss. „Voor welke waarden staat de Noorse maatschappij? Wat vinden wij belangrijk? Wat maakt ons gelukkig? Het zijn urgente vragen.”

Veel Noren hopen dat hun land door de gebeurtenissen van 22 juli uit zijn splendid isolation komt. Als je zó rijk bent, vinden zij, is zo’n houding ongepast. Syse: „Bovendien past het niet bij de Noorse volksaard. De Noren hebben veel historisch besef. Er is geen land dat zo veel scholieren naar voormalige concentratiekampen stuurt om ze bewust te maken van de gevaren van extremisme en nationalisme.”

Noren staan op een tweesprong: naar binnen of naar buiten. Om naar buiten te keren, moeten ze ook het kwaad in de ogen durven kijken. Het is als met de trollen, die onlosmakelijk met Noorwegen verbonden zijn. Zij staan voor de schaduwzijden van de mens, maar Noren houden ze het liefst binnen. Trollet sprekker når sola skinner luidt een oude volkswijsheid: de trol barst als de zon op hem schijnt.

    • Danielle Pinedo