Persreisjes

Reisjournalist logeert in luxe hotel, las ik in deze krant van 16 augustus. Toeristenbranche koopt aandacht, journalisten en bloggers accepteren sponsoring. Een onthullend artikel van Leendert van der Valk. Kranten, individuele journalisten laten zich uitnodigingen door instellingen die toeristische belangen in het buitenland behartigen, ze worden in een vijfsterrenhotel ondergebracht, maken tochtjes, worden overal op het beste van de plaatselijke keuken getrakteerd, de hele dag in de watten gelegd, dit alles in de verwachting dat ze er straks in hun krant een mooi, wervend stuk over schrijven. „We kijken streng naar return on investment”, zegt Susan van Egmond van het Tourisme Marketing Concepts. Als de journalist niet braaf zijn best doet, wordt hij nooit meer uitgenodigd. De redactie had een toelichting bij het artikel gevoegd. Deze krant accepteert geen uitnodigingen voor zulke persreizen, behalve als ze aan Lux, de zaterdagse lifestylebijlage, gericht zijn. (Lux is het restant van Lux et Libertas, licht en vrijheid, dat het devies van het Algemeen Handelsblad was).

Heel vroeger waren de kranten minder strikt. Het zal een jaar of 56 geleden zijn dat het Handelsblad een brief van de Italiaanse regering kreeg. Of de hoofdredactie zo vriendelijk zou willen zijn om een verslaggever aan te wijzen die ter plaatse de stand van zaken in de nationale industrie kon bezichtigen. De hoofdredacteur zelf was ook welkom. Die wilde niet. Ik werd uitverkoren, pakte mijn koffertje en stapte in het vliegtuig naar Milaan. Daar, in een uitstekend hotel, trof ik mijn reisgenoten, journalisten van de Frankfurter Allgemeine, de Süddeutsche, Le Monde, The New York Times, The Manchester Guardian en nog een paar van dit soort kranten. Wat later de ‘kwaliteitspers’ is gaan heten.

Om te beginnen kregen we een lekker diner, en de volgende dag al vroeg begon het werk. We werden door ijzergieterijen en autofabrieken gedreven, liepen langs lopende banden, bekeken een textielfabriek en nog het een en ander dat ik vergeten ben. Niets werd nagelaten om te bewijzen dat de Italianen een nijver volk waren. Terwijl we zo aan het bezichtigen waren ontwikkelde zich het proces dat zich in alle groepen voltrekt: langzamerhand komt er een natuurlijke leider tevoorschijn. Dat was in dit geval de man van The New York Times. Het clubje had genoeg van al die productieve bezienswaardigheden, we wilden even met rust worden gelaten. Dat vertelde de Amerikaan aan de Italiaanse gids. „Aha!”, zei die. „Daar hebben we op gerekend. Morgen gaan we naar de paus.”

De volgende dag gingen we met een magnifieke Italiaanse trein naar Rome, het Vaticaan. De paus was toen Paulus XII. Om de vertrekken van de heilige vader te bereiken moest je een groot aantal trappen op, zodat je buiten adem aankwam. Is dat opzettelijk zo gearrangeerd? Ik heb mijn vermoedens. In ieder geval, de journalisten gingen in de rij staan om de paus een hand te geven. De man van de Frankfurter Allgemeine was een vrome katholiek. Hij stond voor me, zodat ik het allemaal goed heb kunnen volgen. Toen hij aan de beurt was, knielde hij, greep de pauselijke hand, hartstochtelijk, en overdekte die met kussen. Waar een persreis al niet goed voor is.

Veilig hebben we de buitenlucht weer bereikt, nog een avond op rijkskosten in Rome rondgehangen en toen terug naar Milaan. Daar wachtte weer een verrassing: we kregen een kaartje voor de opera, La Scala waar Giuseppe Verdi’s meesterwerk Aïda werd vertoond. Van mijn chef, A.L.Constandse, had ik geleerd dat de opera een bourgeoiskunst is waar je je beter verre van kunt houden. Dat zei ik tegen de man van The New York Times. Ik ging liever naar de bioscoop, op eigen kosten. Hij keek me ernstig aan en zei: My dear friend. Opera belongs to the greatest forms of art. Only to be compared to illustrated pornography. Daardoor veranderde ik van inzicht. De Italiaanse regering had een loge voor ons gehuurd. Zo heb ik de Aïda gezien en ik heb er nooit spijt van gehad.

De reis was afgelopen. Ten afscheid werd ons nog een diner aangeboden in Villa d’Este, het beroemde hotel-restaurant aan het Comomeer. Heel lekker eten, maar mijn aandacht werd afgeleid door een wat oudere dikke man die met een mooi roodharig meisje een eindje verder onbeschaamd zat te schransen. Iemand in portierslivrei stond klaar om opdringerige belangstelling af te weren. De man kwam me bekend voor, maar zijn naam wilde me niet te binnen schieten. Wie zijn dat, vroeg ik een ober. Dat zijn de Egyptische ex-koning Faroek en de Napolitaanse schoonheidskoningin, fluisterde hij eerbiedig.

De volgende dag ben ik moe maar voldaan terug naar Amsterdam gevlogen en daarna heb ik een lovend verhaal over de Italiaanse ijzergieterijen en autofabrieken geschreven. En nu, na meer dan een halve eeuw, komen koning Faroek en de paus toch nog aan de orde.

    • S. Montag